[NL] Musica Mediaevalis 2/40 – Sankt Gallen 390-391

Winter antiphonary from Sankt Gallen, Stiftsbibliothek psallentes.com
Winter antiphonary from Sankt Gallen, Stiftsbibliothek, 390 - Image via http://www.e-codices.unifr.ch - On this page: Responsory Aspiciens a longe, p15 (no folio numbers)

Aan het eind van het tijdperk van de Romeinen kwamen de christelijke kerken voorzichtig uit hun schuilkelders. Eeuwenlang had het nog jonge christendom zich gedwongen gedeisd gehouden. Desondanks had zich inmiddels al een rijke liturgische traditie ontwikkeld. Een basiskenmerk van deze liturgie was het gezongen woord. Als je voor een groep mensen je stem wil verheffen en tegelijk de nodige eerbied en plechtstatigheid wil behouden die bij het reciteren van een ‘gewijde tekst’ verwacht en verlangd wordt, dan kun je maar beter gaan zingen. Zingen is een geciviliseerd roepen. Dus al in die vroege kerken werd gezongen, mogelijk sterk refererend aan het Joodse zingen in de synagoge.

Het begon met het eenvoudig reciteren van belangrijke teksten. Dat kon door een solist, in het geval van lezingen, maar het kon ook met grote groepen, bijvoorbeeld in het geval van de dagelijkse psalmlezingen. Ter omkadering van dit psalmodiëren werden fragmentjes uit de psalmen op eenvoudige (vaak intern gerecycleerde) melodieën gezet, zodat ze door de hele gemeenschap makkelijk meegezongen konden worden. Uit die grote groep werden een aantal solisten-zangers gelicht, de cantores, die de iets lastiger, meer melismatische gezangen vertolkten. En uit dat selecte groepje kwam nu en dan ook een echte solist naar voor, die op bepaalde teksten zijn gang kon gaan.

Hier horen we twee fundamenteel verschillende soorten van zingen. Wanneer twee groepen (vaak letterlijk) tegenover elkaar staan en om beurten zingen, dan noemen we dat antifonaal. Het reciteren van psalmen is hier het beste voorbeeld van. Wanneer echter een solist (of een selecte groep) iets zingt dat nadien door een grotere groep beantwoord wordt, dan noemen we dat responsoriaal. De meeste van de oude gezangen van de christelijke kerk horen in een van deze twee categorieën thuis.

Wanneer dus na de Romeinse tijd de christenen meer en meer in de openbaarheid treden, ontwikkelt zich de christelijke liturgie sneller en gedetailleerder dan ooit. In de negende eeuw al worden pogingen ondernomen om de lokale ‘dialecten’ van het gregoriaans (want daarover hebben we het natuurlijk) uit te vlakken en op mekaar af te stemmen. Het is een van de eerste getuigenissen van het verlangen naar eenmaking van Europa: in volle Karolingische tijd worden gespecialiseerde zangers naar alle hoeken van het continent gestuurd. Zij brengen hun expertise mee naar kerken, kloosters en abdijen, en alhoewel plaatselijke dialecten zich verder blijven ontwikkelen, is er vanaf de negende eeuw toch een opvallende eenheid van repertoire en de uitvoering ervan aan te duiden. (Uiteindelijk zal de liturgie zoals ze zich in Rome ontwikkelde, dominant worden.)

Kerken, kloosters en abdijen. Aan het eind van het eerste millennium van onze tijdrekening zijn er op verschillende plaatsen in de christelijke wereld al indrukwekkende complexen opgebouwd. In een van deze machtige abdijen, de Zwitserse abdij van Sankt-Gallen ten zuiden van wat nu de Bodensee heet, wordt in de jaren 993-997 door de monnik Hartker een antifonarium geschreven, dat wij nu als een van de oudste van ‘noten’ voorziene antifonaria kennen. Wat is een ‘antifonarium’ en waarom ‘noten’ tussen aanhalingstekens? ‘Antifonarium’: het boek dat gezangen voor het officie bevat, dus voor de gebedsdiensten en niet voor de mis. Omdat de korte(re) stukken het label ‘antifoon’ krijgen en omdat die antifonen het grootste deel van het repertoire voor de officies uitmaken, wordt het boek dat deze gezangen bevat ‘antifonarium’ genoemd.

‘Noten’. Neumen, eigenlijk, tekens die vooral een mnemotechnische functie lijken te hebben: ze moeten, geplaatst boven de tekst, aangeven hoe de melodie verloopt, maar ze geven de exacte toonhoogte niet aan, die vullen we aan vanuit het geheugen. De neumen staan los boven de tekst, er is nog geen sprake van een notenbalk. Ze (de neumen) doen ons denken aan tekens die vandaag nog in bepaalde talen overleven. Bijvoorbeeld in het Frans, waar de é of de è een opgaande of een neergaande toon lijkt aan te geven – toch vanuit de naamgeving. Dat eenvoudige procédé (daar heb je die é) laat de zangers toe een veel groter repertoire levendig te houden. Niet alles van dat omvangrijke oeuvre kon immers in het geheugen gehouden worden.

Dus aan het eind van de tiende eeuw is Hartker, monnik van Sankt-Gallen, druk in de weer met het uitschrijven van het boek dat wij nu als een grote topper van onze Middeleeuwse muziekgeschiedenis aanduiden. De monnik zuigt niets uit zijn duim: hij gebruikt tekens, weliswaar in de Zwitserse varianten, die al een honderdtal jaar in een of andere vorm bekend zijn over belangrijke delen van Europa. Er zijn verschillende tekens om één noot aan te geven (zoals punctum, virga), er zijn ook neumen die meer verzamelingen van noten zijn, samen op één lettergreep (zoals podatus, clivis, torculus, porrectus), en er zijn allerlei complexe combinaties van de basisneumen. We zullen nooit kunnen beoordelen of en in hoeverre deze Hartker misschien ook een componist was. Feit is dat tegen de tijd dat Hartker deze melodieën noteert er al een min of meer vastgelegd repertoire aan gregoriaanse gezangen was – dat weten we omdat we over nogal wat oudere bronnen beschikken waarin deze liturgie al grotendeels beschreven is, alhoewel nog zonder neumennotatie.

Niet alleen is dit Hartker antifonarium een van de oudste boeken met genoteerd gregoriaans, het is ook zonder meer een topper omwille van de buitengewoon nette schrijfwijze, de uitstekende bewaring, en de volledigheid. Het Hartker antifonarium beslaat twee delen, zoals dat wel meer voorkomt. Een zomerdeel, dat loopt van Pasen tot vlak voor de Advent, en een winterdeel dat loopt van de Advent tot en met de Goede Week, eindigend op Paaszaterdag. Echt groot is het boek niet (22 cm op 16,5 cm), het heeft nog niet het XL-formaat van de handschriften van latere eeuwen, toen men met grotere groepen naar hetzelfde manuscript stond te kijken om er uit te zingen. Het boek van Hartker lijkt daarom bijna eerder een geheugensteun geweest te zijn voor de cantor, die de gezangen aan zijn monniken moest aanleren. We weten niet zeker in hoeverre een manuscript als dit ook daadwerkelijk in de liturgie gebruikt werd, en of het daarbij dan in de hand gehouden werd, op een pupiter geplaatst, en wie er dan uit zong. Hartker’s handschrift is in de zogenaamde Karolingische minuskel, en doorheen het boek is vooral rode en zwarte inkt gebruikt. Alles samen enkele honderden bladzijden, waarmee we, bij grondige bestudering, een persoonlijke connectie lijken te kunnen maken met de Zwitserse monnik Hartker, die precies duizend jaar geleden stierf.

Hendrik Vanden Abeele voor Amarant

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

Blog at WordPress.com.

Up ↑