[NL] Musica Mediaevalis 26/40 — Met stem, vedel en schalmei

In Middeleeuwse manuscripten zijn veel afbeeldingen van instrumenten te vinden. Hier een miniatuur uit de zogenaamde ‘Queen Mary Psalter’ (1310-1320). Het gaat om een scène uit het verhaal over de bruiloft van Kanaän. In zes nissen rondom het tafereel staan engelen te musiceren. [London, British Library, BL Royal MsBVII, f131v]
In Middeleeuwse manuscripten zijn veel afbeeldingen van instrumenten te vinden. Hier een miniatuur uit de zogenaamde ‘Queen Mary Psalter’ (1310-1320). Het gaat om een scène uit het verhaal over de bruiloft van Kanaän. In zes nissen rondom het tafereel staan engelen te musiceren. [London, British Library, BL Royal MsBVII, f131v]
Hoe je het ook draait of keert, de Middeleeuwen vormen duizend jaren van vocale dominantie. Bijna alle overgeleverde muziek uit de Middeleeuwen is vocaal. Punt. Er waren wel instrumenten, maar die waren zo goed als altijd ondergeschikt aan de menselijke stem. Bij een overzicht van de Middeleeuwse instrumenten, dat er zo dadelijk aankomt, kunnen we dan ook niet anders dan beginnen met de stem, met het zingen.

De Middeleeuwse stem was waarschijnlijk niet fundamenteel anders dan die van vandaag. Zo snel verandert de mensheid niet dat je duizend, tweeduizend of zelfs vijfduizend jaar geleden een fundamenteel andere klank zou ontmoet hebben bij het aanhoren van zangers. Natuurlijk, technieken veranderen, en wat dat betreft is de 19de eeuw tot op vandaag nog altijd redelijk dominant, met de focus op het gebonden zingen, het volume, de vibrato. Toch zijn geen van deze zonet genoemde eigenschappen van het 19de-eeuwse zingen exclusief aan onze moderne tijd voorbehouden. Ook in de Middeleeuwen was men er zich goed bewust van dat de stem in alle maten en gewichten komt, net zoals de mensen zelf. Er zijn beschrijvingen bekend van honderden jaren oud, waaruit blijkt dat wel degelijk en zeer zelfbewust aandacht besteed werd aan de omgang met de zangstem, en dat ook toen al ‘professioneel’ over het gebruik van de stem nagedacht werd. Hieronymus de Moravia bijvoorbeeld, die al aan het eind van de 13de eeuw beschrijft hoe de zanger de keuze heeft tussen vox pectoris, vox gutturis, en vox capitis: de borststem, de keelstem, en de kopstem.

Toch is het moeilijk ons een precies beeld te vormen van de zangstijlen van de Middeleeuwen. Uit de bronnen zelf worden we niet altijd wijzer. Op een Middeleeuwse vocale partituur worden stemtypes nooit aangegeven. Jawel, er staat ‘tenor’ en ‘contratenor’, maar dat zijn eigenlijk functiebeschrijvingen, niet noodzakelijk komen die overeen met de tessituur van de hedendaagse tenor of contratenor. En om ons een beeld te vormen van wie hoe laag of hoe hoog kon zingen worden we door de bronnen ook niet erg geholpen. Uit de episode over Guido van Arezzo hebben we geleerd dat er geen absolute toonhoogtes waren, en dat men wellicht in de eerste plaats op zoek ging naar de toonhoogtes die het beste lagen voor het individu of het collectief. Wellicht daarom was het concept van de Guidoonse hand met de verschuivende hexachorden zo populair.

Hier en daar treffen we instructies voor de zanger aan, die zijn bijna altijd dezelfde: zing (vooral) niet te luid, en niet te zacht. Jacobo da Bologna beschreef het zo (hier in zijn lied Oselletto salvaço):

Per gridar forte non si canta bene

Ma con soave et dolce melodia

Si fa bel canto et ció vuol maestria

 

Het is niet door luid te roepen dat je goed zingt

Maar het is met zachte en elegante melodie

Dat gezongen moet worden, en dat vraagt meesterschap

Laten we de stem voor wat ze is – ze is overigens onze meest directe connectie met de Middeleeuwse muzikant, want we moeten er zoals gezegd van uit gaan dat de stem geen fysionomische veranderingen heeft ondergaan in de laatste duizend jaar. En keren we dan nu terug naar de instrumenten, die we in aflevering 20 al kort hebben opgelijst.

We zouden kunnen een indeling maken volgens onze moderne theorieboeken, met ronkende termen als idiofonen, chordofonen, aerofonen en dies meer. Toepasselijker is het, een aloude indeling te gebruiken, vooral vanaf de 14de eeuw populair maar met wortels in de Middeleeuwen, namelijk het onderscheid tussen de ‘hauts instruments’ en de ‘bas instuments’. Dat heeft niet letterlijk met hoog en laag te maken, maar met sterk, hevig, luid, tegenover zacht, zachtaardig, stil.

Tot de eerste groep, de ‘hauts instruments’, behoren uiteraard alle slagwerkinstrumenten. Vormen van trommels, van grote zware instrumenten tot kleine handtrommeltjes. De vroege slagwerkinstrumenten hadden vaak hun wortels in het midden-Oosten, hetgeen overigens ook opgaat voor flink wat andere instrumenten. Wellicht kwamen veel van die instrumenten Europa binnen ten tijde van de Arabische aanwezigheid op het Iberisch schiereiland. En later ook via de kruistochten. Er blijkt een opvallende influx van instrumenten te zijn in Europa vanaf het midden van de 13de eeuw. Hoe dan ook, naast de slagwerkinstrumenten behoorden tot deze categorie natuurlijk ook alle instrumenten gemaakt van een of ander metaal, of instrumenten die met een riet werkten. De zink, een meestal gebogen hoornvormig instrument met een mondstuk vergelijkbaar met wat nu op de trompet staat. De sackbut, of Middeleeuwse trombone. De schalmei, of pommer, een regelrechte voorloper van de hobo (namelijk met een dubbel riet dat tussen de lippen geklemd wordt).

Tot de tweede groep, de ‘bas instruments’, behoren dan alle andere instrumenten, de instrumenten die zachter klinken, meer voor de huiskamer bedoeld zijn. Dat waren zeer populaire instrumenten, zoals de harp, de vedel en de luit, en alle vormen van fluiten. Oneindig vaak afgebeeld, te pas en te onpas. Ik kan me bijna geen manuscript voorstellen, zelfs niet van puur gregoriaans, waar niet ergens een van deze instrumenten in afgebeeld staat (tenminste voor zover er iets figuratiefs in het manuscript aanwezig is).

Nu is het wel zo dat we weten dat deze instrumenten bestonden, maar er zijn bitter weinig van die instrumenten overgebleven. Wat we weten, weten we via afbeeldingen en beschrijvingen. Soms hebben we geluk en vinden we een beeldhouwwerk (in steen op de kathedralen, in hout in de kerken) waar een bepaald instrument levensgroot is weergegeven. Dat kan helpen om dergelijke instrumenten te reconstrueren, en op die manier beter inzicht te verwerven in de manier waarop ze bespeeld werden.

Hendrik Vanden Abeele voor Amarant.

Hou de programmatie van Amarant in het oog: op 22 januari 2014 gaat te Leuven een tiendelige cursus over de muziekgeschiedenis van de Renaissance van start, en in september 2014 herbeginnen we met de Middeleeuwen te Aalst.

Deze tekst mag vrij gebruikt worden, wel graag de bron vermelden.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

Blog at WordPress.com.

Up ↑