[NL] Musica Mediaevalis 20/40 — Tripidium rotundum

 

Dancing at Schloss Runkelstein, Tirol, 14th century. Picture via www.runkelstein.info
Dancing at Schloss Runkelstein, Tirol, 14th century. Picture via http://www.runkelstein.info

Over hoe mensen dansten in de Middeleeuwen zijn we slechts zeer ten dele en zeer onrechtstreeks, of met andere woorden, zeer slecht geïnformeerd. Over de muziek kunnen we het verderop wel hebben, maar als we het over de fysieke daad van het dansen gaat, dan zijn er voor de hele Middeleeuwen weinig of geen bronnen aan te duiden die ondubbelzinnige informatie geven over hoe er gedanst werd. Het is pas in de 15de eeuw, om precies te zijn vanaf de jaren 1430, dat er instructieboeken verschijnen, met gedetailleerde beschrijvingen van dansen.

Een van de eerste vormen van dansen die in Middeleeuwse bronnen (vaag, dus) beschreven worden zijn de variaties op de ‘saltarello’, of springdans. Dat was een eerder snelle dans in driekwart-maat die aan het einde van de Middeleeuwen vooral in Italië zeer populair zou worden, en die, dat hadden we kunnen vermoeden, springbewegingen bevatte. De meest voorkomende term in de Middeleeuwen is echter ‘ballatio’, waar later ook het woordje ‘bal’ of ‘ballo’ uit ontstaat. Mogelijk verwijzen die termen naar een dansvorm van het processie-type, op hun beurt weggelopen uit de overwinningsdansen van de Oudheid. Een vaak voorkomend woord is ook ‘tripudiare’, van betekenis verwant met ‘saltare’ – ook met nadruk op het springende karakter dus. In het Llibre Vermell staat bij het tweestemmige Stella splendens: ‘Sequitur alia cantilena… ad tripudium rotundum’ ofwel ‘Nu volgt een ander gezang … een rondedans’. Ten slotte verschijnt het woord ‘danzare’ pas laat in de Middeleeuwen, maar dat was wel een blijver, zoals we weten.

Het is onbegonnen werk om in dit korte hoofdstukje alle dansvormen uit de Middeleeuwen te bespreken. Enerzijds omdat vele dansen slechts van naam gekend zijn en we er dus zoals gezegd geen ondubbelzinnige beschrijving van hebben, anderzijds ook omdat het er zo veel zijn, met zo veel lokale accenten. Waar we wel wat beter over geïnformeerd zijn, is over de instrumenten die bij het begeleiden van dansen gebruikt werden. Eerst en vooral is er nogal wat iconografisch materiaal – maar we weten dat dat niet altijd een reële maar soms eerder een ideale situatie verbeeldt. Voorts zijn er ook heel wat Middeleeuwse schrijvers die aan de muzikale instrumenten voor het begeleiden van dans refereren.

De tamboerijn, natuurlijk, overal afgebeeld en vaak beschreven, een instrument waar we ons iets heel concreets kunnen bij voorstellen. Trommels in alle maten en gewichten. Klokjes en klokken. Daarnaast ook de doedelzak, en als contrast daarmee de uiterst stille luit. Voorts cither-achtige instrumenten, vedels, rietinstrumenten en trompetten. Ten slotte ook het organetto, het draagbare orgeltje dat zo vaak in de miniaturen voorkomt. Met andere woorden: zowat het hele arsenaal aan toenmalig bekende instrumenten werd ingezet (uiteraard niet alles tegelijk) om de dansmuziek te laten overtuigen. Meer over deze en andere instrumenten in aflevering 26.

Op het puur muzikale vlak valt op dat een dans meestal een structuur had van korte herhaalde fragmenten (de puncta) met eerst een ‘ouvert’ en daarna een ‘clos’. De estampie voldoet het best aan die beschrijving. Het was dan ook een van de populairste dansen, als we de getuigenissen mogen geloven. Een relatief rustige dans, terwijl de ‘ductia’ wat heviger was. In de aflevering over de troubadours (19) verwezen we al naar de ‘Kalenda Maya’ van de troubadour en kruisvaarder Raimbaut de Vaquieras. Dat is zo’n estampie, en het is een van de twee (met muziek) overgeleverde estampies uit het repertoire van de troubadours. De andere overlevende is het eveneens vroeg 14de-eeuwse Souvent souspire. Naast deze twee zijn er nog 26 andere estampies tot in onze tijd geraakt, maar dan wel, helaas, zonder muziek. En ten slotte zijn er 16 composities zonder tekst die in de handschriften zelf waar ze in terug te vinden zijn benoemd werden als estampies.

De Kalenda Maya blijkt echt een type-voorbeeld te zijn van een estampie. De tekst is conform aan de tijdeigen beschrijvingen van de dans, namelijk dat het over liefde en toewijding moet gaan. De tekst is gestructureerd in zes verzen van veertien lijnen van ongelijke lengte, onderverdeeld in vier coupletten (‘coblas’). De muziek is altijd gelijkaardig, maar nooit helemaal hetzelfde, ook geheel volgens de voorschriften/beschrijvingen van tijdgenoten.

Een opvallend onderscheid is voorts nog te maken met de dansen voor de ‘lagere klassen’, vergelijkbaar met de volksdansen van nu, en de dansen voor de ‘hogere klassen’, voor ridders of andere edellieden en hun dames. De eerste categorie kende letterlijk honderden benamingen die allemaal zeer lokaal gekleurd waren, terwijl de dansen van de edellieden over heel Europa ongeveer dezelfde namen droegen, en mogelijk ook bijna overal op dezelfde manier uitgevoerd werden. Dat heeft wellicht te maken met de jongleurs, die als professionele entertainers van kasteel naar kasteel trokken en daar functioneerden als dansmeesters.

Een heel aparte categorie is de dodendans, de ‘danse macabre’. Een voorbeeld daarvan komt opnieuw uit het Llibre Vermell de Montserrat (aflevering 14). Het Ad mortem festinamus staat daar achteraan in de bundel, en heeft als centraal thema: ‘we hollen allemaal samen naar de dood, dus laat ons ophouden met zondigen’. Een en ander heeft natuurlijk te maken met de harde confrontatie met de dood die voor de Middeleeuwer acuter en veelvuldiger moet geweest zijn dan wat wij nu kennen. Het rondwaren van het spook van de pest, bijvoorbeeld. Toch is dat wellicht niet wat aan de oorsprong van de dodendansen ligt. In de Middeleeuwse literatuur wordt gewag gemaakt van een ziekte, de dans-gekte, waarbij mensen ten prooi vallen aan het onweerstaanbaar opgaan in een eindeloze, waanzinnige dans, om slechts te stoppen bij de totale uitputting of zelfs de dood. Misschien is het nachtelijk dansen in ‘danstenten’ van vandaag wel niets anders dan het toegeven aan deze oude, typisch Middeleeuwse dans-ziekte.

Hendrik Vanden Abeele voor Amarant.

Hou de programmatie van Amarant in het oog: op 25 september 2013 is te Leuven een tiendelige cursus over de muziekgeschiedenis begonnen, een jaar later (dus september 2014) begint diezelfde reeks te Aalst.

Deze tekst mag vrij gebruikt worden, wel graag de bron vermelden.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

Blog at WordPress.com.

Up ↑