[NL] Musica Mediaevalis 19/40 — De troubadours

A page from a thirteenth-century chansonnier. Portrait of troubadour Peire Vidal. [Paris, Bibliothèque Nationale, Français 854]
A page from a thirteenth-century chansonnier. Portrait of troubadour Peire Vidal. [Paris, Bibliothèque Nationale, Français 854]
Veel van onze toppers in deze ‘muziekgeschiedenis van de middeleeuwen in veertig toppers’ (als ik even tel, zeker dertig van de veertig) hebben een zeer christelijke connectie. Dat is onvermijdelijk, want zeker tot aan het jaar duizend, maar eigenlijk ook nog honderden jaren daarna was het vooral in het kerkelijke milieu dat er gemusiceerd werd, en dat er muzikale innovaties plaatsgrepen. Althans zo lijkt het wel, want we stelden eerder al vast dat veel onderdelen van vooral het wereldlijke repertoire verloren moeten zijn gegaan.

Zo is het ook gegaan met het repertoire van de troubadours. Nochtans is ook hier de connectie met de kerk niet te vermijden, al was het maar omdat aan het artistieke rijk van de troubadours een einde kwam samen met het einde van de katharen, tegen wie de officiële christelijke kerk (of, als je het wat cynischer wil stellen, de machtigste sekte binnen die kerk) een bloedige strijd voerde. Maar daarover later meer.

Het woord troubadour is, heel voor de hand liggend, afgeleid van het herkenbare provençaalse woord ‘trobar’, dat zowel ‘vinden’ als ‘bedenken’, alsook ‘in verzen componeren’ kan betekenen. Vooral in de upper classes van de Poitou, de Limousin en de Languedoc verschenen in de loop van de 12de eeuw zangers die zichzelf begeleidden, en die als voornaamste thema de ‘hoofse liefde’ hadden. Het hoogtepunt van de tijd van de troubadours moeten we situeren grofweg tussen 1100 en 1300, en preciezer tussen 1140 en 1220. De liederen die deze edellieden maakten waren bijna altijd strofisch, opgebouwd uit zogenaamde stanza’s, met aan het eind van het lied een ‘tornada’, of ‘envois’. Die afsluiting was, het woord ‘envois’ geeft het al aan, een soort wegzending, soms met een moraliserende ondertoon, of met een soort opdracht.

De taal die de troubadours gebruikten was die van de streek ten zuiden van de Loire en ten westen van de Rhône, genoegzaam bekend als de Langue d’oc. Misschien ten overvloede kan ik hier aanhalen dat de ‘oc’ tegenover de ‘oil’ stond, ofwel de Langue d’oc tegenover de Langue d’oil, en dat ‘oc’ en ‘oil’ twee fundamenteel te onderscheiden uitspraken van het woordje ‘oui’ of ‘ja’ waren. Die ‘oc’ leverde dan vervolgens de aanzet voor die andere bekende benaming van de taal van de troubadours: het ‘Occitaans’. Ten tijde van de troubadours was deze taal wellicht precies hetzelfde als het Catalaans. Naderhand zijn het Occitaans en het Catalaans wat woordenschat en uitspraak betreft wat uit elkaar gegroeid, maar ze zijn nog steeds de enige twee leden van de familie van de occitano-romaanse talen.

Het was de hertog van Aquitanië, Guillaume IX, die zich het eerst als troubadour profileerde. Andere bekende namen zijn Folquet de Marseille, Cercamon, Marcabru, Jaufré Rudel. Dit lijstje zou hier veel langer kunnen zijn, want zo’n 460 met naam te noemen troubadours zijn aangeduid, van wie alles samen zo’n 2600 gedichten overgeleverd zijn. Helaas is maar een tien procent van die gedichten ook als melodie overgeleverd: om precies te zijn 275 melodieën, van 42 troubadours. Dat maakt het al iets overzichtelijker. Van de genoemde Guillaume zijn elf gedichten bekend, zonder melodie. Van Cercamon acht zonder melodie. Van Marcabru veertig, met slechts vier melodieën. En van Jaufre Rudel zeven gedichten, waarvan vier met melodie.

De troubadours maakten vooral liederen over de liefde, zoals gezegd, maar er kwamen ook andere thema’s aan bod. Naast het liefdeslied, dat soms de naam ‘canso’ kreeg, waaruit dan later ‘chanson’ voortkwam, had je nog een drietal belangrijke categorieën van troubadoursliederen. De sirventes was vormelijk verwant met het liefdeslied, maar het behandelde alle thema’s behalve de liefde. Die thema’s konden van persoonlijke of politieke aard zijn. Een paar subgenres hiervan zijn de ‘ennui’ en de ‘plainte’ – de planctus of klaagzang dus. Van een andere categorie liederen is het voornaamste kenmerk dat er dialogen in voorkwamen. Dat was ondermeer het geval met de ‘pastorela’, waar de ontmoeting van een ridder met een herderin een terugkerend thema was – iets minder l’amour courtois dus. Tot deze categorie hoorde ook de ‘alba’, een ‘aubade’ of ochtendlied. Ten slotte speelden de troubadours ook dansen, de ‘dansa’ of de ‘balada’. Een voorbeeld hiervan is de ‘Kalenda Maya’ van Raimbaut de Vaquieras. Het is, zo staat het in het overgeleverde manuscript, een ‘estampida’. En er wordt van gezegd dat Raimbaut het gedicht maakte op een melodie die hij hoorde spelen op de vedel door twee Franse jongleurs.

De wereld van de troubadours kende een dramatische wending in de eerste helft van de 13de eeuw. Het gebied dat we eerder beschreven, in het zuiden en het westen van het huidige Frankrijk, was welvarend, en er heerste vrede. De aristocratie was er sterk, goed geletterd en welopgevoed, waarbij zij in hun doen en laten (bijvoorbeeld in hun liederen) sterk beïnvloed werden door zowel de Latijnse cultuur als de Moslimcultuur uit Spanje. Waarschijnlijk was deze zuidelijke streek een stuk rijker en welvarender dan de meer noordelijke streken, en heeft dat er mee toe bijgedragen dat vanaf 1209 het zuiden onder de voet gelopen werd.

De aanwezigheid in het zuiden van grote groepen katharen, ketters volgens de officiële kerk, was een doorn in het oog van de ‘orthodoxe’ christenen in het noorden. In de 12de eeuw was Bernard van Clairvaux al eens in het zuiden gaan prediken in de hoop de katharen te kunnen overtuigen van hun ongelijk. Ook de stichter van de Dominicanenorde, Dominicus Guzman, ging het proberen, maar het lukte niet. Dan maar de wapens. Het is uiteindelijk Arnaud Amaury, abt van de abdij van Cîteaux (!) die op bevel van paus Innocentius III en met toestemming van de Franse koning, een leger gaat aanvoeren en daarmee het zuiden aanvalt. Dat was in 1209, en het was de eerste van wat bekend zal worden als de Albigenzische kruistochten (Albigenzen: bewoners van Albi, centrum van de katharen). De strijd zou, in verschillende kruistochten, enkele decennia duren. Er wordt geschat dat in die periode tot een miljoen mensen het leven lieten – niet allemaal katharen. De minder rijke edellieden uit het noorden zagen een inname van de rijkdom van het zuiden goed zitten en deden lustig mee aan het moorden en plunderen. Met dit bloedbad zijn ook de troubadours verdwenen, of wie overbleef trok weg naar andere streken.

Hendrik Vanden Abeele voor Amarant.

Hou de programmatie van Amarant in het oog: op 25 september 2013 is te Leuven een tiendelige cursus over de muziekgeschiedenis begonnen, een jaar later (dus september 2014) begint diezelfde reeks te Aalst.

Deze tekst mag vrij gebruikt worden, wel graag de bron vermelden.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

Blog at WordPress.com.

Up ↑