Codex Calixtinus - Musica Mediaevalis Hendrik Vanden Abeele - Ensemble Psallentes
A page from the Codex Calixtinus. Top right: the two-voiced Nostra Phalans, bottom right the three-voiced Congaudeant Catholici. [Santiago de Compostela, Cathedral, Codex Calixtinus, f24]

Santiago de Compostela, al meer dan duizend jaar lang het beroemdste bedevaartsoord van de Christelijke wereld, was een plek waar de liturgie gevoed werd door een uitzonderlijk rijke muzikale cultuur. De liturgie in andere bedevaartsoorden – zoals elders op het Iberisch schiereiland bijvoorbeeld de Abdij van Montserrat nabij Barcelona, zie de volgende aflevering – kende ook wel een grote rijkdom, maar in Compostela (en in de kerken en abdijen op de weg er naar toe) gebeurde toch iets bijzonders: een belangrijk deel van een polyfone traditie werd er geboren, ontwikkeld, of minstens uitgebreid beoefend. Getuige hiervan is de 12de-eeuwse Codex Calixtinus. De naam van het manuscript verwijst naar Paus Calixtus II, die voor hij paus werd in 1119 abt geweest was van de Abdij van Cluny. Deze Bourgondische abdij lag ook op de weg naar Compostela, en toen Calixtus eenmaal paus was, zou hij een belangrijke promotor worden van bedevaarten, in het bijzonder dan van de bedevaart naar Compostela. Het boek, of een deel ervan, werd rond 1160 geschreven door (of op zijn minst samengesteld door) Aymeric Picaud, een Franse monnik en pelgrim uit de Poitou.

Het hele manuscript beslaat 195 folio’s (dus bijna vierhonderd bladzijden), en het is 29,5 op 21 cm groot. Van de vijf delen in dit boek bevatten er twee muziek: er is gregoriaans en andere éénstemmigheid, en er zijn twintig meerstemmige stukken. Het eerste boek bevat het genoemde gregoriaans, met muziek voor de verschillende Jacobus-feesten: de vooravond (24 juli) van het feest van de passie van Jacobus (25 juli), de dagen erna tot aan het octaaf (26 juli tot 1 augustus), de translatie (overplaatsing van het lichaam) van Jacobus (30 december) met ook weer de dagen daarna tot aan het octaaf (6 januari). In boek twee worden 22 wonderen beschreven die aan de tussenkomst van de Heilige Jacobus werden toegeschreven. Het derde boek beschrijft in detail het verhaal van het leven en de dood van Jacobus, tot en met de verplaatsing van zijn lichaam naar Galicië. Een onderdeeltje van het manuscript, het vierde boek, werd in 1619 uit het manuscript gehaald (waarom, dat is niet duidelijk); het bevat verhalen over de entourage van Karel de Grote, zoals opgeschreven door Tupin van Reims – althans, dat werd ten tijde van het ontstaan van het manuscript zo beweerd. Deze Tupin, aartsbisschop van Reims in de achtste eeuw, verschijnt overigens als een van de paladijnen van Karel de Grote in één van de chansons de geste (zie aflevering 21), namelijk het beroemde Chanson de Roland. Dat is dus het vierde boek. Het vijfde boek ten slotte bevat de beroemde beschrijvingen van de mogelijke routes naar Santiago. Daarmee is dat vijfde boek eigenlijk een van de oudst bekende toeristische gidsen. Het is het supplement bij dit vijfde boek dat de genoemde muziek bevat.

De polyfonie uit de Codex Calixtinus, zoals die bewaard werd te Santiago (merk de verleden tijd op: het handschrift werd op 3 juli 2011 uit de kathedraal gestolen), geldt als een voorlopig hoogtepunt in de ontwikkeling van de meerstemmigheid. De meer officiële naam van het manuscript is Liber Sancti Jacobi. Hoogst waarschijnlijk had Calixtus, die zoals hoger beschreven zijn naam gaf aan het manuscript, helemaal niets met het ontstaan van de tekst en de muziek te maken, al willen de samenstellers van het manuscript ons dat wel doen geloven. Wellicht was het vernoemen van zijn naam niets meer dan een eerbetoon aan de paus die van Compostela in 1120 een aartsbisschoppelijke zetel maakte. Overigens blijkt uit de studie van de muzikale stijl dat vele van de composities in het boek gemaakt werden door Franse musici. Afgezien daarvan geeft het manuscript een mooi beeld van de rijkdom van de liturgie in het 12de-eeuwse Compostela, een van de belangrijkste centra van Christelijke liturgie in de Middeleeuwen.

De codex bevat zoals eerder vermeld veel monofonie, die ons een goed beeld geeft van de staat van gregoriaanse compositie in de 12de eeuw. Dit gregoriaans is dus vrijwel volledig en nadrukkelijk aan de Heilige Jacob gewijd. Tropen en sequentia versieren en verrijken de liturgie van de grote feestdagen. Zo zijn er uitgebreide tropen bij introitus en epistel, naast getropeerde onderdelen van het ordinarium (Kyriale). Aan het eind van het vijfde boek komt dan de verzameling polyfonie naar voor, een interessante staalkaart van polyfone compositie rond het midden van de 12de eeuw.

Net zoals in het repertoire van Saint-Martial komt ook hier veel melismatisch organum voor. Ook hier wordt deze soort meerstemmigheid gebruikt op de plaatsen waar normaal een solist zingt: bij een intonatie (soms), en (vooral) bij verzen van responsoriale gezangen. Andere gedeeltes worden, zoals uit de eeuwenlange traditie bekend, door een grotere groep zangers monofoon gezongen. Een belangrijk feit is het dus, dat polyfonie niet alleen gezongen werd bij de gedeeltes die normaal solistisch vertolkt werden, maar dat die polyfonie op deze manier ook het moment-de-gloire vormde voor een paar solisten, die hun improvisatorische vaardigheden en vocale virtuositeit op precies die plaatsen konden botvieren. Dit gebeurde in soms erg lange versieringen van soms op zich al erg lange melismen in de oorspronkelijke melodie.

Naast het melismatisch organum is ook de andere eigentijdse meerstemmigheid in de Codex Calixtinus vertegenwoordigd: het discant-zingen. Hier kunnen we deze vorm meteen omdopen tot conductus, de term die in de muziekgeschiedenis meer gebruikt wordt en ook bekender is. In dit concrete geval is deze naamgeving het gevolg van het gebruik van een strofische tekst in stanza’s – wat bij het traditionele discant-zingen niet noodzakelijk het geval is.

Het misschien wel beroemdste stuk uit de Codex Calixtinus is het oudste voorbeeld van driestemmige polyfonie: het Congaudeant Catholici, toegeschreven aan Albertus Parisiensis, cantor aan de (voorloper van de) Notre Dame te Parijs. Van dit stuk wordt vaak gezegd dat het een pelgrimslied is. Of het ook echt door pelgrims op weg naar Compostela gezongen werd, is twijfelachtig. Maar vanuit het thema (‘laat katholieken zich allen samen verheugen’) is het een prima metafoor voor het ‘bedevaartbedrijf’ en de muziek eraan verbonden. Door het zingen en bezingen worden gelovigen verenigd, steeds met hun schreden en neuzen in dezelfde richting. Hun gezamenlijk doel – ook al hebben ze zich dat doel gesteld vanuit vele verschillende motieven – ligt aan de horizon: het graf van de Heilige Jacob, te Compostela.

©Hendrik Vanden Abeele voor Amarant

Deze tekst mag vrij gebruikt worden, wel graag de bron vermelden.