[NL] Musica Mediaevalis 12/40 – Aquitaanse polyfonie

a page from one of the troparia from Saint-Martial de Limoges. London, British Library, GB-Lbl Add. 36881
A page from one of the troparia from Saint-Martial de Limoges. London, British Library, GB-Lbl Add. 36881

Abdijen in de Middeleeuwen waren centra van cultuur en innovatie, dat wisten we al. Vele van die abdijen hebben in de loop der eeuwen een bijna magische status bereikt. Bij de ene abdij is het omwille van een zwarte Madonna (zoals Montserrat), bij de andere – maar dan in recentere tijden – omwille van bier (Westvleteren). De abdij van Sankt-Gallen is beroemd om zijn hele oude manuscripten, min of meer de oudste met neumennotatie en daarom van groot belang voor de studie van de geschiedenis van het gregoriaans. De oude abdij van Saint-Martial nabij Limoges heeft ook een bijzondere status verworven, misschien wel in de eerste plaats omdat er uit die abdij (of via die abdij) een aantal manuscripten naar voor gekomen zijn die een ware schat aan vroege polyfonie bevatten. Daarover gaat deze aflevering. De abdij zelf werd in de nadagen van de Franse revolutie met de grond gelijk gemaakt. Het vermoeden bestaat dat er daardoor flink wat manuscripten met zowel gregoriaans als vroege polyfonie verloren gegaan zijn. Maar wat wel bewaard bleef, is zonder meer werelderfgoed.

Omdat niet alle manuscripten uit de abdij zelf afkomstig zijn, geeft men er vandaag de voorkeur aan de term ‘Aquitaanse polyfonie’ te gebruiken. Daarmee wordt aangegeven dat, alhoewel Saint-Martial misschien wel een verzamelplaats was, of zelfs een katalysator in de ontwikkeling van de vroege polyfonie, het toch vooral de rijkdom en welvaart van het hele Aquitanië is, en bij uitbreiding het zuidwestelijk deel van Frankrijk en de noordelijke streken van het huidige Spanje, die er voor gezorgd heeft dat er zo veel polyfone weelde is kunnen ontstaan. Maar iedereen weet in beide gevallen waar het over gaat, al was het maar omdat een van de eerste albums van het Ensemble Organum van Marcel Pérès precies die twee termen in de titel draagt: ‘Polyphonie Aquitaine du XIIe siècle. Saint Martial de Limoges’. Terzijde moet hier ook gezegd dat de rijkdom en de welvaart van de genoemde streken niet alleen de ontwikkeling van de liturgie en de polyfonie ten goede kwam. Er was ook een opvallende proliferatie van troubadours (zie aflevering 19).

De abdij werd gesticht in het jaar 848 op de plek waar het graf van de Heilige Martial zich bevond. Martial was de eerste bisschop van Limoges, in de derde eeuw. De uitstraling van de abdij groeide gestaag, onder meer door slimme marketing van de hand van de abdij-kroniekschrijver Adémar de Chabannes. De grote bloeiperiode van de abdij lag tussen het begin van de tiende en het begin van de twaalfde eeuw. Minstens tweehonderd jaar lang was de abdij bakermat voor dichters en componisten, en het culturele klimaat bleek erg bevorderlijk voor de ontwikkeling van de Aquitaanse polyfonie waar we het hier over hebben.

Minstens twintig manuscripten uit de bibliotheek van Saint-Martial leggen getuigenis af van de rijkdom van de Aquitaanse liturgie. Mogelijk zijn er van die twintig manuscripten maar drie of vier ook echt in de abdij gemaakt. Andere manuscripten zijn misschien afkomstig uit Narbonne, of uit Toulouse. De bronnen uit Saint-Martial bevatten ongeveer zeventig stukken met een of andere vorm van polyfonie. Dat lijkt op zich niet veel, maar voor bronnen van negenhonderd à duizend jaar oud kan dat toch tellen. Het is de rijkste collectie tropen, prosa’s, sequensen, prosula’s en versus. Die vinden we terug in graduale’s, antiphonale’s, sequentiale’s, en een aantal moeilijk te benoemen verzamelboeken. De notatie varieert van primitieve neumen, over de zogenaamde Aquitaanse puntnotatie van de 11de eeuw, tot de aanzet van een kwadraatneumnotatie in de 12de eeuw. Soms is het in die handschriften niet onmiddellijk duidelijk dat het om polyfonie gaat: veel meerstemmigheid staat immers per stem na elkaar uitgeschreven, niet altijd onder elkaar zoals we dat in onze huidige muzikale wereld gewoon zijn.

In het repertoire van de Aquitaanse polyfonie zijn de twee grote families van meerstemmigheid vertegenwoordigd (zie aflevering 11). Deze twee families contrasteren enigszins met elkaar, ook al zullen we nog zien dat in de school van de Parijse Notre-Dame (afleveringen 15-16) deze twee families mekaar vinden. Het gaat om enerzijds het melismatisch organum, en anderzijds wat we hier discantus zullen noemen (de terminologie is ook hier lastig, we zouden ook ‘conductus’ kunnen gebruiken, maar die term heeft dan weer andere connotaties). Laat ons nog even wat dieper op die twee soorten polyfonie ingaan.

In het primitieve organum was er sprake van een basismelodie (vox principalis) met een tegenmelodie (vox organalis), die zich in een noot-tegen-noot stijl met en tegen elkaar bewegen. Die vox principalis, het woord zegt het, heeft de belangrijkste taak, namelijk het correct weergeven van de oorspronkelijke gregoriaanse melodie. In het melismatisch organum waar de Aquitaanse school zo beroemd mee geworden is, gaat deze vox principalis vertragen. Er ontstaat een soort slow motion weergave van de gregoriaanse melodie. De melodie verloopt traag, in (soms heel) lange notenwaarden. Dat geeft de vox organalis de gelegenheid om te gaan versieren. Deze tegenstem gaat melismen zingen. Vandaar dan ook de term ‘melismatisch organum’. Hier en daar vinden we nog wel het ‘ouderwetse’ noot-tegen-noot vrij organum, maar de bovenstem wordt toch alsmaar beweeglijker. Het melismatisch organum van Saint-Martial is altijd tweestemmig. Het samengaan van de twee stemmen wordt geregeerd door twee principes: de tegenbeweging (zie aflevering 1) en de consonantie, de perfecte samenklank.

De tweede familie van polyfonie uit de Aquitaanse wereld is discantus. Het is een uitgebouwde, verder ontwikkelde versie van de noot-tegen-noot polyfonie. Hierboven hebben we gezien hoe zich in het melismatisch organum een soort hiërarchie ontwikkelde tussen de twee stemmen. Bij het discant-zingen is dat niet of nauwelijks het geval. De twee stemmen verlopen gelijkaardig en gelijkwaardig aan elkaar, maar niet meer noot tegen noot. Ze zingen samen dezelfde lettergrepen op het zelfde moment, en per lettergreep zingen ze een of meerdere noten (meestal twee, drie of vier). Ook hier heerst onzekerheid over de uitvoering, onder andere omdat het nooit echt duidelijk wordt hoe er binnen de lettergreep gezongen moet worden: welke noot staat tegenover welke noot als je in de ene stem drie, en in de andere twee of vier noten te zingen hebt?

De term ‘discantus’ is problematisch. Vanuit de etymologie (Latijn voor ‘afzonderlijk zingen’) wordt al duidelijk dat de term op vele verschillende soorten van polyfonie zou kunnen worden toegepast – hetgeen ook gebeurde. In middeleeuwse verhandelingen vind je dan ook vaak termen als ‘organum’, ‘diaphonia’ (het Grieks voor discantus) en ‘discantus’ als aanduidingen voor wat gewoon ‘polyfonie’ blijkt te zijn, in een of andere vorm.

Hoe het ook zij, de polyfonie uit de bronnen die van dichtbij of veraf met de abdij van Saint-Martial in Limoges vebonden zijn, is een eerste grote hoogtepunt in de ontwikkeling van de meerstemmigheid. Die meerstemmigheid was in deze fase nog gewoon een manier om het gregoriaans meer kracht en luister bij te zetten.

©Hendrik Vanden Abeele voor Amarant

Deze tekst mag vrij gebruikt worden, wel graag de bron vermelden.

One thought on “[NL] Musica Mediaevalis 12/40 – Aquitaanse polyfonie

Add yours

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

Blog at WordPress.com.

Up ↑