[NL] Musica Mediaevalis 16/40 — Notre Dame II

Viderunt Omnes by Perotinus: a four-voiced decoration (organum quadriplum) of the Christmas gradual. Ca. 1200. [Firenze, Bibliotheca Mediceo-Laurenziana, MS Pluteo 29, f1]
Viderunt Omnes by Perotinus: a four-voiced decoration (organum quadriplum) of the Christmas gradual. Ca. 1200. [Firenze, Bibliotheca Mediceo-Laurenziana, MS Pluteo 29, f1]
In de vorige aflevering hadden we het meer in het algemeen over de Parijse polyfonie, en over het Magnus liber, dat (in verschillende verzamelingen) de rijkdom van die polyfonie voor het nageslacht heeft bewaard. In deze aflevering staan we stil bij de twee centrale figuren van de Notre Dame school: Leoninus en Perotinus.

Maar voor we dat doen misschien toch nog even stilstaan bij welke soort polyfonie er in het Mangus liber voorkomt. Het grootste deel van het repertoire bestaat uit tweestemmig organum bij de responsoriale gezangen van de grote feesten van het kerkelijk jaar. Zoals gebruikelijk is er een onderscheid gemaakt tussen gezangen voor het officie en gezangen voor de mis. In de eerste groep vinden we bijna uitsluitend meerstemmige zettingen van onderdelen van de grote responsoria van de metten. Het was blijkbaar de gewoonte dat elk derde responsorium van elke nocturne van de metten een polyfone behandeling kreeg. In de tweede groep vinden we dan vooral meerstemmigheid in de graduale’s en alleluia’s voor de mis. Naast die grote groep tweestemmigheid is er dan nog de eerder al beschreven verzameling met conducti, en organa voor drie en vier stemmen.

Leoninus stierf in 1201 – hij was toen vermoedelijk ongeveer 50 jaar oud. Door de anonieme Engelse student Anonimus IV werd hij aangeduid als de samensteller van het Magnus liber, en dat alleen al maakt hem tot een zeer belangrijke figuur in onze muziekgeschiedenis van de Middeleeuwen. Over Leoninus weten we echter heel weinig. Volgens dezelfde Engelse student was Leoninus componist en was hij bedreven in het maken van organum en discantus. In één adem zegt de student er wel bij dat Perotinus nog bedrevener was. In elk geval is die getuigenis de enige zekerheid die we hebben over de muzikale activiteiten van Leoninus. Verder weten we dat hij in 1192 priester werd (‘magister Leonius presbyter’) en dat hij administrator was van de collegiale kerk van Saint-Benoît, op de linkeroever van de Seine. Hij wordt ook genoemd als de auteur van enkele poëtische werken, waaronder een Hystoria sacre gesis ab origine mundi. Dat is het zowat, zelfs over zijn precieze sterfdatum heerst onzekerheid: de ene bron zegt 24 maart 1201, de andere 26 december.

Wat nu concreet de muzikale activiteiten van Leoninus betreft, gaan we er van uit dat hij zich in de eerste plaats op het tweestemmige organum toelegde, een genre van vroege polyfonie dat, zoals we gezien hebben, sinds enige tijd en vogue was. Het ziet er naar uit dat Leoninus nog niet de echte innovator van de Notre Dame school was: hij liet zich eerder op het ritme van de tijd meevoeren in de ontwikkeling van polyfonie, met name dan door het uitwerken (we houden ons nog wat in wat het woord ‘componeren’ betreft) van melismatisch organum. De melodieën, of misschien noemen we ze beter melismen, die in de vox organalis commentaar leveren op de vox principalis, zijn bij Leoninus nog erg formule-achtig. Melodische eenheidjes die overal opduiken, die herhaald, ontwikkeld en gevarieerd worden. Waar hij mogelijk wel een innovatieve bijdrage aan de ontwikkeling van de polyfonie leverde, was de toepassing van de zogenaamde ritmische modi. Onzekerheid troef, hierover, maar dat hij een rol speelde in de ritmische organisatie van de vox organalis, is een zeer verdedigbare stelling.

Als Leoninus inderdaad rond zijn vijftigste stierf, kan hij onmogelijk de samensteller zijn van het Magnus Liber, van hetwelk men zegt dat het werk daaraan al rond 1160 startte. Misschien was Leoninus toch meer een administrator dan een componist, en waren er nog heel wat andere musici in het project betrokken, van wie we nu niets meer weten.

De student Anonimus IV is, afgezien van zijn nogal gedetailleerde beschrijvingen van de Parijse omgang met polyfonie en de rol van Leoninus en Perotinus daarin, niet zo’n hulp in de datering van de activiteiten van de musici van de Notre Dame school. Preciezere informatie kunnen we krijgen via enkele documenten afkomstig van Odo (ook wel Eudes) de Sully, vanaf 1196 de nieuwe bisschop en opvolger van de hoger genoemde Maurice de Sully (geen familie van Odo, wordt gezegd). Odo deed zijn best om de christelijke liturgie en het gedrag van zijn christelijke schaapjes zo zuiver mogelijk te houden. Zo probeerde hij de Messe des Fous te verbieden (waardoor we dankzij hem iets beter op de hoogte zijn van wat dat precies inhield), hij verbood ook het ter communie gaan van kinderen, en hij wou zelfs zijn clerus verbieden schaak te spelen. Meer ter zake dan dat is wat hij in zijn teksten specifieerde op het vlak van het gebruik van polyfonie. Dank zij zijn precieze beschrijvingen over het voorkomen van organa in twee, drie en vier stemmen, en zijn expliciete toelating om dat soort muziek op die en die dag ten gehore te brengen – en die informatie samenleggend met de getuigenissen van onze Engelse student –  weten we zo goed als zeker wanneer Perotinus aan de ‘verbetering’ van het werk van Leoninus begonnen was – een tijd voor 1196.

Want over Perotinus weten we misschien wel iets meer dan over Leoninus, maar toch ook erg weinig: we weten niet eens wanneer hij geboren of gestorven is. Dankzij bijkomende beschrijvingen van de muziektheoreticus Johannes de Garlandia kennen we Perotinus nu als de componist van organa, conducti en (niet helemaal zeker) motetten. We weten zeker dat hij aan de Notre Dame werkte, en dat hij betrokken was in de verbetering en de uitbreiding van het Magnus Liber van Leoninus. Die uitbreiding kunnen we in verschillende richtingen letterlijk nemen. Vermoedelijk was Perotinus productief als componist van organa en conducti, maar ook binnen de muziekwerken zelf moet er sprake geweest zijn van uitbreiding: Perotinus bouwde orana tot vier stemmen hoog, een voor die tijd ongetwijfeld erg virtuoze aangelegenheid. Maar niet alleen op dat vlak was Perotinus een meester. Ook zijn minutieuze omgang met structuur en evenwicht, zijn fijnzinnig aanvoelen van de vocale textuur, zijn ongelooflijk gedifferentieerde ritmiek, het zijn maar enkele van de superlatieven die we mogen gebruiken in het geval van deze topper van formaat, met de naam als een klok van een contradictie: Perotinus, ofte de kleine Pieter.

Hendrik Vanden Abeele voor Amarant.

Hou de programmatie van Amarant in het oog: op 25 september 2013 is te Leuven een tiendelige cursus over de muziekgeschiedenis begonnen, een jaar later (dus september 2014 begint diezelfde reeks te Aalst).

Deze tekst mag vrij gebruikt worden, wel graag de bron vermelden.

[NL] Musica Mediaevalis 15/40 — Notre Dame I

Perotinus' Alleluia Nativitas (organum triplum), here taken from Bessler & Gülke: Musik des Mittelalters and der Renaissance
Perotinus’ Alleluia Nativitas (organum triplum), here taken from Bessler & Gülke: Musik des Mittelalters and der Renaissance

Rond 1200 is Parijs het centrum van de wereld, en Frankrijk het door God uitgekozen land. (Kwatongen zullen beweren dat Parijzenaars of Fransen in het algemeen daar nog steeds zo over denken.) Zonder gekscheren mogen we stellen dat Parijs, als natuurlijk centrum van Frankrijk, op cultureel en intellectueel vlak een voortrekkersrol speelde. Allerlei factoren hebben daar toe bijgedragen, met welvaart en groei van de stad, en een zich ontwikkelende bourgeoisie, als voornaamste factor. De Franse koningen waren machtiger dan ooit, en kathedraalscholen brachten ‘knappe koppen’ voort – iets wat in de eerste jaren van de 13de eeuw overigens tot de stichting van de Parijse Universiteit zou leiden. (Aan die universiteit zou de focus op theologie en de ‘artes’ komen te liggen, terwijl men zich aan die andere moeder der universiteiten – die van Bologna, rond dezelfde tijd gesticht – op rechten toelegde.)

Bisschop Maurice de Sully besloot rond 1160 dat de oude Parijse kathedraal, de Saint-Etienne, niet meer kon voldoen als centrale kerk van de centrale stad van Frankrijk en Europa. Nochtans moet ook dat een monumentaal bouwwerk geweest zijn: archeologisch onderzoek heeft bijvoorbeeld uitgewezen dat de oude kerk een voorgevel van 36 meter breed had. Maar hij liet de oude kathedraal afbreken, en legde in 1163 de eerste steen van wat de triomf van de gotiek zou worden. De energieke bisschop zou overigens een belangrijk deel van het project nog meemaken, want hij bleef bisschop tot in 1196, en het werk vorderde snel.

Maar de bouwplaats werd ook de plek waar de polyfonie tot een eerste volwassenheid zou komen. Dat is geen loze bewering: de polyfonie van de zogenaamde Notre Dame school is van een onaardse kracht en vertoont een uitzonderlijke maturiteit. Dat de polyfone rijkdom van de Notre Dame school gelijk loopt met de periode waarin de nieuwe kathedraal gebouwd werd, is geen toeval: succes trekt succes aan, en we kunnen er van uit gaan dat het de grootste talenten waren die door de grandeur van de nieuwe kerk aangetrokken werden en er ook met hun muziek extra glans aan wilden geven.

Wat we hierboven de Notre Dame school noemen, is niet meer dan een naam die we geven aan de uitzonderlijke situatie te Parijs, waar tussen 1150 en 1250, voornamelijk door in de muziek geschoolde clerici, een nieuw en grootser soort polyfonie werd ontwikkeld. Dat gebeurde overigens niet alleen aan de Notre Dame, die zeker in het eerste deel van de genoemde periode nog maar nauwelijks bruikbaar moet geweest zijn. Ook in andere kerken in Parijs, zoals die van de abdij van Saint-Victor, moet de nieuwe muziek weerklonken hebben. Hier werd muziek gecultiveerd in alle liturgische genres die uit de vorige eeuw bekend waren: het organum, de conductus en het liturgisch motet. Het grote repertoire dat in deze genres was opgebouwd, werd verzameld in het Magnus liber organi. Twee grote namen zijn hieraan verbonden: Leoninus en Perotinus (Leootje en Pietertje, zo je wil).

In dat erg op innovatie en verrijking gerichte klimaat grijpt een belangrijke omslag plaats in de omgang met het maken van muziek. Tot aan deze periode kun je zeggen dat alle polyfonie een soort uitvoeringspraktijk was, een manier om gregoriaans op te fleuren, rijker en aantrekkelijker te maken. De omslag die plaatsvindt is er een in de richting van regelrechte compositie. Wat hier uitgeschreven wordt is niet langer het neerschrijven van wat eerder min of meer improvisatorisch en ad hoc bedacht werd, neen, nu gaat zich met die muziek een echte componist bezighouden, iemand die op voorhand gaat uitdokteren hoe een en ander moet verlopen. Ze legden misschien niet de eerste steen, vermits ze toch voortbouwden op de verworvenheden van onder meer de Aquitaanse polyfonie, maar bij de Notre Dame school zien we muzikale eigenschappen die toch de fundamenten uitmaken van de muziek voor minstens de volgende driehonderd jaar. Dat is op het vlak van de toonspraak zo, maar ook op het vlak van de notatie van de muziek, want het is hier dat de mensurale notatie (zie aflevering 28) ontwikkeld wordt.

Even terug naar het Magnus liber organi. Het grote boek met polyfonie. Een misleidende naam, in zekere zin, want het gaat niet om één boek. Het is een verzameling, die bovendien niet op een bepaald moment in de geschiedenis werd samengesteld, maar die organisch gegroeid is. Voor het begrip van deze situatie is de heer ‘Anonimus IV’ van groot belang. Over deze man is niets bekend, zelfs zijn naam is onbekend – hij heeft ocharme een nummer gekregen. Mogelijk was het een Engelse student die aan het einde van de 13de eeuw te Parijs studeerde. In twee geschriften bespreekt hij in detail de situatie van de polyfonie te Parijs rond 1200. Hij noemt daarbij het ‘magnus liber organi de graduali et antifonario’ (het grote boek met organum op de graduale en het antifonale), en beschrijft hoe een zekere Leoninus het samenstelde met het oog op het verrijken van de eredienst (‘pro servitio divino multiplicando’). Anonimus IV beschrijft vervolgens ook hoe Perotinus het werk van Leoninus aanvulde en verbeterde, en hoe het boek dat de composities van deze heren bevat tot in zijn tijd (eind van de 13de eeuw dus) in gebruik bleef aan de Notre Dame. Naast Leoninus en Perotinus noemt de Engelse student ook nog een zekere Robertus de Sabilone als componist – het is dus zeker geen verzameling composities van alleen maar de twee heren met hun mini-namen.

Er is ook niet maar één ‘Magnus liber’ – er zijn verschillende bronnen die samen de collectie uitmaken. Eén van de belangrijkste manuscripten, nu bewaard in Firenze (de Firenze codex, I-Fl Plut.29.1) bevat zowel de meer gregoriaans-gebaseerde organa en clausula’s, als werken op nieuwe teksten (conductus en motetten), en refreinliederen die eerder verwant zijn aan de seculiere muziek. Binnen elke groep gaan we van stukken voor meerdere stemmen tot stukken voor minder stemmen: van organa quadrupla over organa tripla naar dupla, en zo verder met andere categorieën van polyfonie. Daarnaast wordt de volgorde van het kerkelijk jaar gevolgd. Met andere woorden: een boek dat heel praktisch opgezet is, en dat de toepassing van de polyfonie in de dagelijkse praktijk moest bevorderen.

En die dagelijkse praktijk vond ook zijn weerklank doorheen Europa: vele onderdelen van het Magnus liber werden voor andere kerken en kloosters gekopieerd. We vinden organum en conductus uit Parijs terug in onder meer de augustijnse priorij van St-Andrews in Scotland, in de kathedraal van Toledo, de kathedraal van Worcester, in Santo Domingo de Silos, in Las Huelgas te Burgos, in de kathedraal van Beauvais, in Dominicaanse kloosters in het huidige Duitsland en Polen. Parijs was rond 1200 ècht het centrum van de wereld.

Hendrik Vanden Abeele voor Amarant.

Woensdag 25 september 2013 start te Leuven een tiendelige Amarant-cursus over de Middeleeuwse muziek door Hendrik Vanden Abeele.

Deze tekst mag vrij gebruikt worden – wel graag de bron vermelden.

[NL] Musica Mediaevalis 12/40 – Aquitaanse polyfonie

a page from one of the troparia from Saint-Martial de Limoges. London, British Library, GB-Lbl Add. 36881
A page from one of the troparia from Saint-Martial de Limoges. London, British Library, GB-Lbl Add. 36881

Abdijen in de Middeleeuwen waren centra van cultuur en innovatie, dat wisten we al. Vele van die abdijen hebben in de loop der eeuwen een bijna magische status bereikt. Bij de ene abdij is het omwille van een zwarte Madonna (zoals Montserrat), bij de andere – maar dan in recentere tijden – omwille van bier (Westvleteren). De abdij van Sankt-Gallen is beroemd om zijn hele oude manuscripten, min of meer de oudste met neumennotatie en daarom van groot belang voor de studie van de geschiedenis van het gregoriaans. De oude abdij van Saint-Martial nabij Limoges heeft ook een bijzondere status verworven, misschien wel in de eerste plaats omdat er uit die abdij (of via die abdij) een aantal manuscripten naar voor gekomen zijn die een ware schat aan vroege polyfonie bevatten. Daarover gaat deze aflevering. De abdij zelf werd in de nadagen van de Franse revolutie met de grond gelijk gemaakt. Het vermoeden bestaat dat er daardoor flink wat manuscripten met zowel gregoriaans als vroege polyfonie verloren gegaan zijn. Maar wat wel bewaard bleef, is zonder meer werelderfgoed.

Omdat niet alle manuscripten uit de abdij zelf afkomstig zijn, geeft men er vandaag de voorkeur aan de term ‘Aquitaanse polyfonie’ te gebruiken. Daarmee wordt aangegeven dat, alhoewel Saint-Martial misschien wel een verzamelplaats was, of zelfs een katalysator in de ontwikkeling van de vroege polyfonie, het toch vooral de rijkdom en welvaart van het hele Aquitanië is, en bij uitbreiding het zuidwestelijk deel van Frankrijk en de noordelijke streken van het huidige Spanje, die er voor gezorgd heeft dat er zo veel polyfone weelde is kunnen ontstaan. Maar iedereen weet in beide gevallen waar het over gaat, al was het maar omdat een van de eerste albums van het Ensemble Organum van Marcel Pérès precies die twee termen in de titel draagt: ‘Polyphonie Aquitaine du XIIe siècle. Saint Martial de Limoges’. Terzijde moet hier ook gezegd dat de rijkdom en de welvaart van de genoemde streken niet alleen de ontwikkeling van de liturgie en de polyfonie ten goede kwam. Er was ook een opvallende proliferatie van troubadours (zie aflevering 19). Continue reading “[NL] Musica Mediaevalis 12/40 – Aquitaanse polyfonie”

Blog at WordPress.com.

Up ↑