[NL] Musica Mediaevalis 25/40 — Minnesänger

De Minnesanger Meister Heinrich Frauenlob. Afbeelding in de zogenaamde Codex Manesse uit Zürich, 1300-1340. [Heidelberg, Universitätsbibiothek, Cod. Pal. Germ. 848, Große Heidelberger Liederhandschrift, f399]
De Minnesanger Meister Heinrich Frauenlob. Afbeelding in de zogenaamde Codex Manesse uit Zürich, 1300-1340. [Heidelberg, Universitätsbibiothek, Cod. Pal. Germ. 848, Große Heidelberger Liederhandschrift, f399]
Deze aflevering heeft veel verwantschappen met de afleveringen 19 en 22, over de troubadours en over de trouvères. Je zou kunnen zeggen dat de Minnesänger gewoon de Duitse varianten vormden op de Occitaanse en Franse dichters, maar je had het al geraden: omdat er meer dan een klein beetje eigen accenten te leggen zijn, hebben we ze een afzonderlijke episode in ons feuilleton gegeven — het vijfentwintigste topper-stukje dus.

Net zoals de melodieën van de troubadours ons slechts hebben kunnen bereiken door bemiddeling van de trouvères, zo is ook de oudere Minnesanger nauwelijks rechtstreeks tot ons geraakt. Het zijn de Minnesänger van de 14de en 15de eeuw die het oudere repertoire hebben doorgegeven. Het valt te verwachten dat zij dit ook deden zoals de trouvères met hun voorgangers: met het nodige respect, zelfs met bewondering, maar alleszins niet vanuit het verlangen de ‘urtext’ van dat repertoire te leveren. Wat we dus over de oudste generaties van Minnesänger vertellen, zal altijd grotendeels gekleurd blijven door wat de jongere generaties ons hebben wijsgemaakt…

Het woord zelf, Minnesang, duikt voor het eerst op in geschriften van rond het jaar 1200. Dat is dus volop de periode van de troubadours, en voor een stuk ook al de periode van de trouvères. Net als in Frankrijk werd de Minnesang in Duitsland (natuurlijk niet letterlijk ‘Duitsland’) beoefend door rondreizende muzikanten van ‘hogere’ komaf. Het fundament is ook hetzelfde: het eeuwige streven van de ridder om in de gratie te komen bij een ‘vrouwe’, die een gerespecteerd en onbereikbaar lid is van de hofhuishouding. Hij wil haar dienen en trouw zijn, maar weet dat er een onoverbrugbaare kloof gaapt, en daarover moet hij lamenteren. Maar het ‘verliefd’ zijn op zich is niet alleen een pijn, het geeft ook een soort vreugde, en een kracht.

Zonder twijfel waren de eerste Minnesänger regelrechte imitators (ook voortzetters natuurlijk) van de Occitaanse tradities (dus van de troubadours). De vormen die ze hanteerden waren Spruch, Lied en Leich. Deze laatste heeft alleen al vanuit de naamgeving expliciete verwantschappen met de lai, een zeer vrije liedvorm uit het 13de- en 14de-eeuwse Frankrijk.

Een van de Minnesänger van de eerste generatie was Hendrik van Veldeke – zoals zijn naam zegt geboren in Veldeke bij Hasselt. Hij was een 12de-eeuwer, had een religieuze opleiding genoten, en vertoefde aan verschillende hoven in Duitsland. Hij is de auteur van Eneit, zijn persoonlijke versie van de Aeneis van Vergilius. Van hem is helaas geen muziek bewaard, maar vanuit de vormen die hij gebruikte kunnen we schatten welke Occitaanse melodieën hij eventueel zou hebben kunnen gebruikt.

De piekjaren van de Minnesänger-beweging – als we het zo even mogen noemen – vielen ongeveer gelijk met de piekjaren van de troubadours, onder wiens invloed ze ook uitdrukkelijk stonden. We hebben het hier dus over de decennia rond 1200, tot aan 1230. De allergrootste naam van deze periode is Walther von der Vogelweide. Zijn werk was zo goed, dat het model stond voor vele generaties na hem.

Walther von der Vogelweide maakte Minnelieder en Spruch stanzas. De eerste is, uiteraard, op de hoofse liefde gericht (zie hoger), de tweede heeft vormelijk wel veel gemeen met de Minnelieder, maar heeft andere thema’s. In een Spruch wordt gereflecteerd op de sociale en politieke situatie, of over religieuze opvoeding, over filosofie – eigenlijk zowat alle onderwerpen die buiten het thema van de hoofse liefde vallen. Mede door die brede interessevelden, heeft Walther ook de hoofse minnelyriek een nieuwe wending gegeven. De traditionele, welhaast stereotiepe patronen werden verlaten in het voordeel van een doorleefde, universele liefdespoëzie.

Nog een volgende generatie bracht onder meer Der Tannhäuser voort. Deze Minnesanger, mogelijk afkomstig uit Beieren, liet ons Leiche, Minnelieder, Sprüche en een pelgrimslied na. Hij hanteert daarin een aardige mix van diepgang, humor en satire. De populariteit van de legende van Tannhäuser in de 19de eeuw leidde onder meer tot de gelijknamige opera’s van Wagner (1845). Die legende was geschreven in de 15de eeuw, met Der Tannhäuser (deze Tannhäuser waar we het hier over hebben) in de hoofdrol. Het verhaal was echter volledig fictief.

Wanneer dan in de vroege 15de eeuw de traditie van de Minnesänger uitgedoofd maar nog niet uitgestorven is, verschuift het van het bezingen van de onbereikbare geliefde naar het bezingen van de eigen echtgenote – zoals dat gebeurde bij Hugo von Montfort. De Minnesänger maken stilaan de transitie naar het Meistergesang, wat in de 16de eeuw bij de burgerij erg populair zou worden. (Ook die Meistersänger kennen we van een opera van Wagner, natuurlijk.)

In de eerste helft van de 15de eeuw treffen we ten slotte de befaamde Oswald von Wolkenstein aan. Van hem werd gezegd dat hij de laatste ‘hof-zanger’ was. Hij zong dan wel in een genre dat al honderd jaar uit de mode was, maar we kunnen hem gerust ook beschouwen als een belangrijke overgangsfiguur naar een ander tijdperk. Niet voor niets werd hij wel eens de belangrijkste Duitse dichter tussen Walther von der Vogelweide en Goethe genoemd. Hij is de auteur van een vrij grote verzameling liederen, een aantal daarvan polyfoon gezet. Over zijn leven weten we veel meer dan zou mogen verwacht worden, onder meer vanwege zijn autobiografische liederen. Hij reisde veel, naar verluidt al vanaf zijn tiende. Hij zorgde zelf voor de anthologie van zijn poëtisch oeuvre, in twee grote boeken met muzikale notatie. Zijn leven was woelig, met allerlei conflicten, en met veel financiële en andere moeilijkheden. Sluiten we af met een interessant maar verder totaal irrelevant feit: hij kwam uit een gezin met zeven kinderen, en had zeven kinderen.

Hendrik Vanden Abeele voor Amarant.

Hou de programmatie van Amarant in het oog: op 22 januari 2014 gaat te Leuven een tiendelige cursus over de muziekgeschiedenis van de Renaissance van start, en in september 2014 herbeginnen we met de Middeleeuwen te Aalst.

Deze tekst mag vrij gebruikt worden, wel graag de bron vermelden.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

Blog at WordPress.com.

Up ↑