[NL] Musica Mediaevalis 23/40 — Ballade & Rondeau

Deze Christine de Pisan, hier thuis aan het werk, was een bekend schrijfster van ondermeer ballades. Het manuscript waar deze afbeelding in voorkomt dateert uit 1407. Je zou denken dat ze linkshandig is, maar wat ze in haar linker hand houdt is waarschijnlijk een krasser (de Middeleeuwse versie van gom of Tipp-ex), terwijl ze wel degelijk met de rechter hand aan het schrijven is. [London, British Library, MS Harley 4431]
Deze Christine de Pisan, hier thuis aan het werk, was een bekend schrijfster van ondermeer ballades. Het manuscript waar deze afbeelding in voorkomt dateert uit 1407. Je zou denken dat ze linkshandig is, maar wat ze in haar linker hand houdt is waarschijnlijk een krasser (de Middeleeuwse versie van gom of Tipp-ex), terwijl ze wel degelijk met de rechter hand aan het schrijven is. [London, British Library, MS Harley 4431]
Ballade, Rondeau en Virelai vormen samen het triumviraat van de seculiere Middeleeuwse muziek, ook wel aangeduid met de term ‘formes fixes’. De vaste vormen, dus. Eigenlijk is er vrijwel geen muzikale liedvorm uit de late Middeleeuwen te bedenken die niet op een of andere manier bij een van deze drie ‘vaste vormen’ kan worden ondergebracht. Elk hebben ze hun verhaal, en in het oeuvre van Machaut (zie aflevering 37), die elk van deze drie vormen met verve beoefende, lijken ze een belangrijk hoogtepunt te hebben beleefd. Nog tot diep in de 15de eeuw komen we ballade, rondeau en virelai tegen. Na 1500 is het plots gedaan, al zijn er wel overblijfsels van de structuur van deze ‘formes fixes’ in andere muziekwerken blijven doorklinken. Het lijkt wel alsof met deze drie vormen de Middeleeuwen afgesloten kunnen worden op het jaar 1500, precies zoals we het ons in aflevering 1 hadden voorgenomen.

Alle drie deze liedvormen vertrekken van een enkele eenvoudige basisprincipes, maar in de uitwerking kunnen ze soms een zeer complexe structuur bereiken. Er zijn altijd herhalingen, gedeeltes die als een refrein werken, en een muzikale opdeling die niet noodzakelijk met het metrum of het rijmschema van het gedicht meewerkt. Enkele van deze karakteristieken vinden we, met wat goede wil, ook in de hedendaagse popmuziek terug.

Volgens bepaalde laatmiddeleeuwse theoretici is het Philippe de Vitry (zie de aflevering over de Ars Nova, nummer 31) die deze vormen voor het eerst gebruikte, maar dat lijkt door de historische feiten toch tegengesproken te worden. De Vitry was een 14de-eeuwer, min of meer tijdgenoot van Guillaume de Machaut. De vormen waarvan sprake, maar niet noodzakelijk de gebruikte benamingen, kunnen we wel ergens terugvinden in muziek van de 13de eeuw of vroeger.

Het zijn echt Franse liedvormen, maar spin-offs ervan vinden we elders in Europa terug. Italië kende de ballata, gek genoeg nauwer verwant met de virelai dan met de ballade. In het 13de-eeuwse Spanje vertoont de Cantiga verwantschappen met de liedvormen in kwestie (zie aflevering 27).

Maar laat ons kort stilstaan bij de ballade. Het was de dominante vorm in de Franse poëzie en het Franse lied van de 14de en 15de eeuw. Een ‘normale’ ballade bevatte drie stanza’s, telkens met hetzelfde rijmschema en eindigend met hetzelfde refrein. De muziek volgt een vergelijkbaar patroon. Het woord zelf is vermoedelijk uit het Occitaanse ‘ballada’ overgenomen, wat naar ‘balar’ of ‘dansen’ verwijst. Een mooi voorbeeld van zo’n ballade, helemaal volgens de zopas verschreven karakteristieken, is het lenteliedje A l’entrade del temps clar dat zich bevindt in een chansonnier uit St-Germain-des-Prés. Doorheen de twee eeuwen die dan volgen zal de ballade bepaalde accentverschuivingen kennen (soms letterlijk), maar de basisprincipes blijven dezelfde. De hoger genoemde Adam de la Halle zal overigens ook een paar ballades in meerstemmige zetting maken. We vergaten bijna te vermelden dat zo’n ballade, behalve de indelingen met refreintjes, ook altijd een ‘ouvert’ en een ‘clos’ kent, alle twee woordjes die op een soort cadens wijzen. De ‘ouvert’ was dan een tussencadens binnen de stanza, de ‘clos’ de eindcadens ervan.

In het werk van de Parijzenaar Jehannot de l’Escurel, gestorven in 1304, zien we de drie vormen verschijnen met netjes van elkaar te onderscheiden kenmerken. Elk hebben ze van hem duidelijk gearticuleerde karakteristieken meegekregen. L’Escurel gaat hier met grote verfijning mee om. Ook permitteerde de heer Jehannot zich bepaalde vrijheden, althans binnen de stanza, waardoor de vorm toch wat minder rigoureus kon worden. Misschien heeft hij met die vrijheden de voorzet gegeven naar het nog meer ‘opentrekken’ van de tot dan toe redelijk gesloten ‘ballade’-vorm. Op het vlak van de poëzie was de aanvankelijke voorliefde van acht en drie lettergrepen per regel alleszins naar een voorkeur voor tien en zeven lettergrepen per regel verschoven – maar er zijn uitzonderingen.

Vroeg in de 15de eeuw verloor de ballade flink wat van zijn populariteit, in het voordeel van de rondeau. Dat is dan ook de tweede van de drie ‘formes fixes’ waar we moeten bij stilstaan.

De rondeau was in oorsprong een danslied, en de structuur ervan moet al rond het begin van de 13de eeuw vastgelegd zijn. Daarmee was de rondeau sneller klaar dan de ballade en de virelai, die in hun opzet en structuren nog regelmatig in bepaalde richtingen fluctueerden. Vanuit het woord is het niet moeilijk ons voor te stellen (en daar nog gelijk in te krijgen ook) dat een rondeau oorspronkelijk ter begeleiding van een rondedans werd gezongen of/en gespeeld.

De meest voorkomende vorm van de rondeau in de 13de en 14de eeuw was die waarbij een stanza acht regels telt, met muzikaal drie refreinen, namelijk op de tweede, zesde en achtste regel. Deze vorm vinden we onder meer terug in de Roman de Fauvel van Gervais de Bus (zie aflevering 32). Ook van de rondeau heeft Adam de la Halle meerstemmige versies gemaakt. Het refrein van de rondeau kende doorgaans een grotere zelfstandigheid dan de refreinen van ballade of de virelai, waardoor zo’n rondeau-refreinen al eens te voorschijn komen als gast in andere stukken. Dankzij die uitleningen kunnen we soms rondeaux reconstrueren die anders verloren zouden zijn gegaan. Dat soort uitlenen van de refrein-melodieën van rondeaux gebeurde ook in de richting van motetten.

De vaste vorm van 8 regels per stanza nam stilaan uitbreiding richting 11, 13, tot zelfs 21 regels per stanza. Tegelijk daarmee begonnen meer componisten van deze schema’s af te wijken – hetgeen de ballade-specialiste Christine de Pisan deed (zie de afbeelding bij deze aflevering). Zij gebruikte soms ook ingekorte refreinen.

Bij Machaut zijn alle rondeaux (het zijn er 22) polyfoon. Hij brengt het genre weer tot een nieuwe hoogte, met weelderige melismen en allerlei subtiliteiten of vondsten. In een van die vondsten neemt hij het idee van de rondedans wel erg letterlijk, en bouwt melodieën die je ook van achter naar voor kan/moet lezen. Over het genie Machaut hebben we daarmee het laatste woord nog niet gezegd (zie afleveringen 37 en 38).

Hendrik Vanden Abeele voor Amarant.

Hou de programmatie van Amarant in het oog: op 25 september 2013 is te Leuven een tiendelige cursus over de muziekgeschiedenis begonnen, een jaar later (dus september 2014) begint diezelfde reeks te Aalst.

Deze tekst mag vrij gebruikt worden, wel graag de bron vermelden.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s