[ENG] Recitations and Reconsiderations [2/15] Augustine & Bowie

Towards the end of his life, around the year 427, Augustine of Hippo set out not only to catalogue all his works (in total more than five million words), but also to revise, correct, amend and even reconsider them. In addition, he described some of the circumstances in which he worked, making the Retractationes one of the earliest testimonies of – dare I say – an artistic research, in the sense of a deep and self-aware reflection on one’s own practice: „Let those, therefore, who are going to read this book not imitate me when I err, but rather when I progress toward the better. For, perhaps, one who reads my works in the order in which they were written will find out how I progressed while writing. In order that this be possible, I shall take care, insofar as I can in this work, to acquaint him with this order.“ (Augustine [ca. 427] 1968: 5)

It is this idea of the reiteration, revision and reconsideration of earlier works, thoughts or opinions that I want to explore in these contributions. Augustine’s re-thinking and even re-writing of texts reflect the typical workings of an agile mind. Likewise, every musical performance can be anything between the reiteration and the reconsideration of the composer’s original idea, of the performance itself, of the performer himself or herself. The act of reconsideration is natural and vital to the creative performer, who may constantly have second thoughts, develop new insights, change habits and rephrase opinions.

In a way, the whole music business bulks large in reiterations and reconsiderations. In pop music, everyone wants to reinvent a Beatles-song. In jazz, most performers acquire fame with the interpretation of standards. In classical music warhorses are constantly revisited.

David Bowie wrote ‘Disco King’ in 1992, but it took the song eleven years, a thorough retractatione and performance at half the original tempo for it to be included in the studio album Reality (2003), where the radiant handling of jazz chords by master pianist Mike Garson ‘reconsiders’ the song from what originally must have been some kind of disco-pastiche into a crooning statement, expressing a complex relationship between the performers and their work, and with the repertoire on which the song becomes a commentary.

On another scale and in a totally different context, the early music business has made of repetition, reiteration and reconsideration one of its core trade marks: always re-doing, re-considering, re-creating music in specific sources, or the same music in alternative sources, gaining new insights from constant repetition, recapitulation, revival, reliving. Developing new views on historical idioms, with novel thoughts about techniques and practices of bygone eras arising from daily practice.

Hendrik Vanden Abeele

[°°] B-Gu Ms 15 Antiphonary Walk-through #002 f0v

Two minutes description of the verso of folio zero of the 1481 antiphonary from the Abbey of Saint Bavo in Ghent. (But it took me three minutes, sorry!)

[°°] B-Gu Ms 15 Antiphonary Walk-through #001

[NL] Musica Mediaevalis 5/40 – Gregoriaans: modi

]Maastricht - modes - Psallentes

Page 327 (no foliage) from a ca. 1400 manuscript, with Gloria Patri in different tones (starting here with the second mode). Maastricht, Regionaal Historisch Centrum Limburg, NL-RHCL nr1979

Heel traag, over de loop van honderden jaren, heeft de Westerse toonspraak zich ontwikkeld tot het punt waar we nu zijn: alles kan, en alles is mogelijk. In de Middeleeuwen (in de ruimste zin, zoals we het eerder beschreven, namelijk van het begin van de christelijke openbare tijd rond 500 tot in de vijftiende eeuw) waren de mogelijkheden nog erg beperkt. Een zestal notennamen (zie ondermeer de tekst over Guido van Arezzo, Musica Mediaevalis 4), één wijzigingsteken, een achttal mogelijke toonaarden. Binnen dat strakke keurslijf heeft de Middeleeuwse muziek zich nochtans goed kunnen uitleven. Dat heeft te maken met bepaalde sterktes van het modale systeem, dat we daarom hier wat meer in detail willen bekijken.

We zouden het verhaal van de modi (enkelvoud modus) kunnen starten in de Griekse tijden, toen benamingen als dorisch, frygisch, lydisch en mixolydisch ontstonden. Maar dit is hier niet zo relevant, alleen al omdat het gebruik van die namen tot verwarring zou leiden, zoals dat gebeurd is bij de vroeg-Middeleeuwse theoretici. In sommige theorieboeken van de Middeleeuwse toonaardenleer worden nog wel die Griekse benamingen gebruikt, maar omdat bijvoorbeeld ‘dorisch’ in de Middeleeuwen uiteindelijk toch iets helemaal anders wordt dan ‘dorisch’ bij de Grieken, laten we die uitstap naar de Oudheid hier achterwege.

Beter is het meteen bij Boethius te beginnen, en te kijken wat hij over de toonaarden wist te zeggen, en op welke manier dat in de duizend jaar daarna is blijven doorwerken. Een vaak voorkomend woord bij de vroege theoretici, waaronder Boethius, was tonus. Dat kon verschillende betekenissen hebben: het woord werd gebruikt om afstanden tussen toonhoogtes aan te geven, of om die toonhoogte zelf aan te geven. Soms werd het ook gebruikt in de dictieles: dan is de tonus het woordaccent. En ten slotte kon het ook wel de betekenis van ‘toonaard’ krijgen. Al bij al is in ons hedendaags taalgebruik een vergelijkbare warrigheid ook aanwezig, wanneer mensen woorden als ‘noot’, ‘toon’, ‘toonsafstand’ en ‘toonaard’ door elkaar gaan gebruiken.

Het Middeleeuwse woord waarmee een toonaard beschreven wordt is modus, als een verzameling opeenvolgende toonhoogtes waarbinnen je kon improviseren of een muziekstuk maken. Dat is geen definitie, het is zelfs kort door de bocht, maar het is wel de essentie. Bij ‘een verzameling opeenvolgende toonhoogtes’ is het vooral van belang te weten waar de afstand tussen twee toonhoogtes niet een hele toon is, maar slechts een halve. Dat is de voornaamste karakteristiek waarmee modi van elkaar te onderscheiden zullen zijn: de positie van de halve toon. Daarnaast is het ook van belang te zien wat de tonen zijn waarop overwegend gereciteerd wordt, wat de toon is waarop het stuk tot rust komt, en wat de omvang is, de ambitus, of hoe ver de laagste en de hoogste noten van het stuk uit elkaar liggen. In de vorige zin is er van uit gegaan dat er eerst een muziekstuk is, en dat we van dat muziekstuk proberen te bepalen wat er de toonaard van is. Mogelijk is dat ook wat Middeleeuwse theoretici gedaan hebben: bestaande stukken proberen in te passen in een theoretisch schema van acht ‘kerktoonaarden’.

Acht toonaarden inderdaad, die sterke verwantschappen vertonen met de acht categorieën van toonaarden uit de liturgische zang van de Byzantijnse kerk. Zo’n categorie kreeg daar de naam ‘echoi’, waardoor ‘oktoèchos‘ het woord is geworden waarmee zij, maar ook wij, het concept van acht toonaarden kunnen benoemen.

Het eerste concept waar we vertrouwd mee moeten worden is, dat een toonaard een ‘authentiek‘ of een ‘plagaal‘ karakter kon hebben. Wie enigszins met onze hedendaagse notenleer vertrouwd is, kan hier terecht een vergelijking maken met wat we daar ‘majeur’ en ‘mineur’ zouden noemen: toonladders die van elkaar onderscheiden worden door de positie van de terts ten opzichte van de basisnoot of tonica. Is er een grote terts aanwezig, dan is dat dus een grote-tertstoonladder of ‘majeur’; is er een kleine terts aanwezig, dan gaat het om een kleine-tertstoonladder of ‘mineur’. Alhoewel de modi toch anders opgebouwd zijn, is de vergelijking best interessant, misschien nog het meest omwille van de verwantschap tussen ‘plagaal’ en ‘mineur’. Net zoals er bij mineure toonaarden vaak ook ‘mineure’ gevoelens horen, was ook de ‘plagale’ modus donkerder van aard.

Met ‘authentiek’ en ‘plagaal’ in het achterhoofd kunnen we nu snel het schema van de modi gaan uitschrijven. Er zijn vier basismodi, en elk van die modi in een ‘authentieke’ en een ‘plagale’ versie. Dat betekent dus acht modi, en met die acht modi kunnen we bijna alle muziek uit de Middeleeuwen definiëren. De vier basismodi werden geteld op zijn Grieks, en kregen daarom de namen protus (eerste), deuterus (tweede), tritus (derde) en tetrardus (vierde) mee. We beginnen bij re, als eindnoot van de protus.

Protus RE

Deuterus MI

Tritus FA

Tetrardus SOL

Elk van deze vier modi gebruikt voor zowel de authentieke als de plagale versie dezelfde eindnoot. Authentiek en plagaal onderscheiden zich dan ook niet via de rustnoot of eindnoot, maar via de reciteertoon, die in de authentieke modus een kwint hoger ligt dan de eindnoot. De reciteertoon van de plagale modi ligt dan telkens een terts onder die van de authentieke modus. Helaas voor de puristen onder ons is dit schema in de praktijk niet houdbaar gebleken: waar de kwint boven de eindnoot op een si terecht kwam, heeft die de klik naar boven gemaakt (is een ut geworden). Dat is gebeurd bij de authentieke deuterus. De si werd een ut, en het is vanuit die ut dat de sprong van een terts naar beneden gemaakt werd voor het bepalen van de reciteertoon. Dus in de plagale deuterus is de reciteertoon dan een la geworden, in tegenstelling tot wat je puur theoretisch zou denken, namelijk dat het een sol zou geworden zijn. Iets vergelijkbaars is gebeurd bij de plagale tetrardus, waar de si ook naar de ut gemuteerd is.

Protus RE- LA / Protus plagaal RE-FA

Deuterus MI-SI (UT) / Deuterus plagaal MI- LA

Tritus FA-DO / Tritus plagaal FA-LA

Tetrardus SOL-RE / Tetrardus plagaal SOL-SI (UT)

Hendrik Vanden Abeele voor Amarant

[°°] B-Gu Ms 15 Antiphonary – A two minutes per page walkthrough

We are embarking on a new project, which will take us through one of Flanders’ most impressive sources of late medieval plainchant. Watch the introductory video here.

25•03•2012 Amsterdam [NL] Tenebrae [Psallentes & Marius van Leeuwen]

Zondag/sunday 25 maart/march Amsterdam, Muziekgebouw aan ‘t IJ, 14u15

Theoloog Marius van Leeuwen zal praten over vroomheid en angst in de Middeleeuwen

De ‘donkere metten’ die in de christelijke liturgie altijd plaatsvinden tijdens de Goede Week bezingen de droefenis om de laatste dagen van Jezus. Het zijn onder meer klaagliederen van de profeet Jeremia, intens en a capella vertolkt door Psallentes. De eminente theoloog Marius van Leeuwen vertelt ons als onderdeel van het concert over de duistere kant van de periode voor Pasen; de vroomheid en angsten van de Middeleeuwse mens tegenover het lijden en sterven van Christus. 

Met klaagliederen en zogenaamde antifonen en responsoria uit een laatmiddeleeuws Franciscaans antifonarium uit Fribourg laat Psallentes de tijd van de Goede Week herleven. In feite staat de breuklijn tussen het donker van de winter en de wedergeboorte van het lentelicht centraal in dit concert. Aan dat licht zelf komen we in Tenebrae echter niet toe: aan het eind van het concert is de hele zaal in duisternis gehuld. Een intense en verstilde belevenis.

I.s.m. Organisatie Oude Muziek

Buy Tickets

[ENG] Recitations and Reconsiderations – Aspects of a performer’s research into late medieval plainchant [1/15]

In plainchant – that reverend and revered godparent of the Western musical tradition – words from the Bible and other religious writings are endlessly cited and recited. Simply reading a liturgical text out loud to a large audience is a difficult task when done with due respect and without microphone. The best option is to sing the text: singing as an elegant way of shouting. Down through the centuries, and starting in the earliest days of the Christian church, many musicians have made creative and innovative contributions to the development of what is now to be considered as one of the most effective text rendering formats in music history. Precisely this aspect of plainchant is considered in this series of small blog contributions (fifteen in all, issued each thursday at 3pm). Considered and reconsidered not in a historical or liturgical way, but through the artistic and creative potential it holds for the present-day performer of plainchant.

The topic at hand is part of a doctoral research project, concentrating on the development of a performance practice of late medieval plainchant. In the next few postings, and before turning to a plainchant performer’s creative explorations, attention is drawn to some methodological characteristics of the relatively new concept of ‘artistic research’, to the pragmatics of musicians’ creativity, and to some specific performance-practice issues. Reflecting a so-called topological approach, these contributions are set up as a collection of short columns, in roughly two modes. Some are written in a more or less academic style, in a relatively thorough and linear prose that considers histories, contexts and theories, and the performer’s relations to these. Others (in italics) are written in a more personal and ambiguous style, (re)considering the development of the performer’s creative signature in relation to the artistic material. This dual approach aims at portraying the to-and-fro flux between the devoted pragmatism on the one hand and the chaotic self-awareness on the other of the musician-researcher.

Hendrik Vanden Abeele

24•03•2012 Maastricht [NL] Tenebrae

Zaterdag/saturday 24 maart/march Maastricht, Ursulinenkapel, 20u15

My eyes fail from weeping,
I am in torment within;
my heart is poured out on the ground
because my people are destroyed,
because children and infants faint
in the streets of the city.

They say to their mothers,
“Where is bread and wine?”
as they faint like the wounded
in the streets of the city,
as their lives ebb away
in their mothers’ arms.

What can I say for you?
With what can I compare you,
Daughter Jerusalem?
To what can I liken you,
that I may comfort you,
Virgin Daughter Zion?
Your wound is as deep as the sea.
Who can heal you?

The visions of your prophets
were false and worthless;
they did not expose your sin
to ward off your captivity.
The prophecies they gave you
were false and misleading.

All who pass your way
clap their hands at you;
they scoff and shake their heads
at Daughter Jerusalem:
“Is this the city that was called
the perfection of beauty,
the joy of the whole earth?”

All your enemies open their mouths
wide against you;
they scoff and gnash their teeth
and say, “We have swallowed her up.
This is the day we have waited for;
we have lived to see it.”

(Lamentations, 2)

Tickets

23•03•2012 Utrecht [NL] Tenebrae

Vrijdag/friday 23 maart/march 2012, Utrecht, Vredenburg Leeuwenbergh, 20u

How deserted lies the city,
once so full of people!
How like a widow is she,
who once was great among the nations!
She who was queen among the provinces
has now become a slave.

Bitterly she weeps at night,
tears are on her cheeks.
Among all her lovers
there is no one to comfort her.
All her friends have betrayed her;
they have become her enemies.

After affliction and harsh labor,
Judah has gone into exile.
She dwells among the nations;
she finds no resting place.
All who pursue her have overtaken her
in the midst of her distress.

(Lamentations, 1)

Aanvang 20:00 uur Genre Klassiek kamermuziek Locatie Vredenburg Leeuwenbergh Prijs€ 29,50 (normaal) / € 21,50 (CJP) / € 21,50 (U-pas) Serie Middeleeuwen 

Tickets

22•03•2012 Rotterdam [NL] Tenebrae

Franciscan antiphoner - Psallentes' Tenebrae production

Fribourg, Couvent des Cordeliers, M2, f102r, badly damaged page with fragments of the Tenebrae-office - manuscript used for the Psallentes Tenebrae production - image via http://www.e-codices.unifr.ch

Donderdag/thursday 22 maart/march 2012 Rotterdam, Laurenskerk, 20u30

“Psallentes is een bijzonder gezelschap voor oude muziek. Zij richten zich op de rijke gregoriaanse kerkmuziektraditie, zoals die vooral bloeide in Middeleeuwen en Renaissance. Met de bestudering van talloze nationale en regionale handschriften geeft Psallentes steeds weer een nieuwe kijk op het gregoriaans, versterkt door hun fijnzinnige uitvoering ervan. In dit concert nemen zij u mee naar de laatste duistere nachten van de lijdenstijd, vlak voor Pasen. Het zijn de uren van de ‘tenebrae’, de sombere mystieke gezangen die klinken in de nacht van Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Paaszaterdag. Zij zingen deze schitterende antifonen, psalmen, responsoria en lamentaties uit Vlaamse antifonaria van de late Middeleeuwen. Het past prachtig in de middeleeuwse omgeving van de Laurenskerk. Psallentes neemt u mee naar de sfeer van de middeleeuwse kerken en kathedralen van waaruit deze passiegezangen in het duister opstegen. “

Toegang: €29,- / 27,- (Rotterdampas/65+) / 20,- (CJP/Collegekaart/Vrienden van LK)/ 18,- (t/m 16 jaar). Kaartverkoop viawww.oudemuziek.nl en de kassa van de Laurenskerk. Ook via De Doelen (www.dedoelen.nl of 010 217 17 17). Koffie en thee inclusief.

Laurenskerk_80

Laurenskerk Rotterdam (Photo credit: Alphast)

21•03•2012 ‘s Heerenberg [NL] Tenebrae

In monte oliveti, Franciscan manuscript - Psallentes' Tenebrae production

Fribourg, Couvent des Cordeliers, M2, f99r, the responsory In monte oliveti - manuscript used for the Psallentes Tenebrae production - image via http://www.e-codices.unifr.ch

Woensdag/wednesday 21 maart /march 2012 Kasteel Huis Bergh, ‘s Heerenveen, Nederland, 20u

In dit concert neemt Psallentes u mee naar de laatste duistere nachten van de lijdenstijd, vlak voor Pasen. Het zijn de uren van de ‘tenebrae’, de sombere mystieke gezangen die klinken in de nacht van Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Paaszaterdag. Psallentes zingt deze schitterende antifonen, psalmen, responsoria en lamentaties uit een Franciscaans antifonarium van de late twaalfde en begin dertiende eeuw. Het past prachtig in de historische sfeer op Huis Bergh.

“Met de bestudering van talloze nationale en regionale handschriften geeft Psallentes steeds weer een nieuwe kijk op het gregoriaans, versterkt door hun fijnzinnige uitvoering ervan.”

Psallentes wordt gevormd door Hendrik Vanden Abeele, Govaart Haché, Paul Schils, Philippe Souvagie, Pieter Coene en Sander Le Roy

Kaarten kunt u bestellen bij Huis Bergh
Tel. 0314-661281 of info@huisbergh.nl
Entree: € 21,00 / Vrienden van Huis Bergh/Oude Muziek € 18,00

*) Organisatie Oude Muziek: www.oudemuziek.nl

[NL] Musica Mediaevalis 4/40 – Guido d’Arezzo

“]Guido d'Arezoo - The famous hand - Psallentes.com

Guido's famous hand, here from a 16th century Italian manuscript. [Berkeley: University of California, Music Library MS 1087, f1r

 

Uit de Middeleeuwen zijn ons nogal wat theoretici bekend, via soms erg gedetailleerde (maar ook warrige of verwarrende) traktaten, waarbij het voor de uitvoerder van vandaag soms moeilijk te beoordelen is wat die theoretici daarin precies deden: weergeven wat de actuele staat van de uitvoeringspraktijk was, of net voorschrijven hoe die uitvoeringspraktijk er moest uit zien. Een van de allergrootste namen, iemand die we toch vooral in de tweede categorie moeten plaatsen, was Boethius (ca.480-ca.524), een Romein, geleerd in het Griekse denken. Zijn werken over muziek waren gedurende de hele Middeleeuwen incontournable, ze werden beschouwd als gezaghebbend, al was het maar vanwege hun veelvuldige verwijzingen naar de Grieken, Pythagoras voorop. Zijn De institutione musicawerd zowat het meest gekopieerde traktaat over muziek van de hele Middeleeuwen. Het is terug te vinden in minstens 150 manuscripten, waarbij het dan meestal nog uitgebreid becommentarieerd, aangevuld of ook wel gewoon aangepast werd.

Boethius was een harde theoreticus, die op zeer rationele en kennisgerichte wijze met muziek omging. Een half millennium later treffen we die andere grote theoreticus van de Middeleeuwse muziek aan: Guido van Arezzo (c991-na1033). Misschien is ‘theoreticus’ niet eens de beste omschrijving van wie Guido was en wat hij deed (ook al heeft ook hij best veel theoretische werken geschreven). Uit wat we uit zijn werk en uit contemporaine correspondentie over hem weten kunnen we zonder twijfel besluiten dat hij een uitmuntend pedagoog moet zijn geweest, die in de praktische omgang met muziek zo diep op hulpmiddelen doordacht dat zijn invloed letterlijk tot op de dag van vandaag in onze muzikale praktijk blijft doorzinderen. Zowel de notenbalk, de notennamen, als de sleutels waarmee we vandaag noten lezen zijn uitvindingen van de monnik Guido te noemen. Met de manier waarop hij deze muzikale en pedagogische talenten aanwendde, verwierf hij nog tijdens zijn leven een legendarische status – ook al werd hij in zijn eigen klooster eerder met jaloezie benaderd, dat is duidelijk iets van alle tijden. Overigens had hij niet zo’n hoge pet op van zangers. Net zoals van Hitchcock gezegd wordt dat hij acteurs niet zo hoog achtte, lezen we over Guido dat hij zangers een niet zo snuggere soort van mensen vond. Het solmisatie-systeem dat hij bedacht (zie verderop) ontwikkelde hij overigens om er voor te zorgen dat de opleiding van ‘de perfecte zanger’ niet tien jaar, maar een à twee jaar zou duren. (Misschien is dit wel een vroeg voorbeeld van slimme marketing – overigens zou doorheen de Middeleeuwen de standaard opleidingsduur van een zanger in de liturgie ongeveer tien jaar blijven.)

Tot in de tiende eeuw was het gebruikelijk dat melodieën in losstaande neumen boven de tekst genoteerd werden – áls ze al genoteerd werden. De elders genoemde manuscripten uit Sankt Gallen en Einsiedeln zijn daar prachtige voorbeelden van. Dat deze losse neumen, waarvan moeilijk kan bepaald worden om welke toonhoogtes het precies gaat, voor zowel geoefende als (nog meer) voor ongeoefende zangers een probleem vormden, hoeft geen betoog. Guido zag dat in en begon samen met zijn medebroeder Michael te werken aan een antiphonale dat die losse neumen, de neumen in het open veld, netjes in het gareel brengt. Het antiphonale zelf is verloren gegaan, maar uit beschrijvingen blijkt dat dit boek verschillende lijntjes bevatte, een notenbalk dus, met aan het begin van de lijnen verwijzingen naar C (nu do) en F (fa). Zo ontstonden de sleutels aan het begin van de notenbalk; ook vandaag nog zijn in de muziek de C en F-sleutels van toepassing. Niet toevallig zijn dit de toonhoogtes net boven de halve toonsafstanden (si-do en mi-fa). De lijnen kregen bovendien kleuren mee: geel voor C en rood voor F. Ook dit was een opvallende oriënterende ingreep, die het echter uiteindelijk niet gehaald heeft: enkele eeuwen later zijn alle lijntjes van de notenbalk in dezelfde kleur. Eerst vaak rood, naderhand vrijwel altijd zwart.

Een andere belangrijke bijdrage van Guido aan de muziekpraktijk was de invoering van de notennamen. Het gebruik van notennamen vormde de kern van Guido’s pedagogie (zie verder). Een hymne voor de Heilige Johannes, en daarvan het eerste vers, en van elk vers de eerste lettergreep, leverde Guido de benodigde notennamen: Ut queant laxis, resonare fibris, mira gestorum, famuli tuorum, solve polluti, labii reatum, Sancti Ioannes. (Deze laatste naam is van belang, om dat de letters S en I samen uiteindelijk de zevende notennaam si zouden vormen.) Het is belangrijk hier op te merken dat het pedagogisch systeem van Guido op het hexachord gebaseerd was: de zes opeenvolgende noten ut, re, mi, fa, sol en la. Overlappende hexachorden vormen de kern van datgene waarmee Guido misschien nog het meest bekend is geworden en waar hij zijn naam aan gegeven heeft: de Guidoonse hand.

De beroemde ‘hand van Guido’ gebruikt elk onderdeeltje van de binnenkant van de linker hand om er met de rechter hand de verschillende toonhoogtes op te kunnen aanduiden. Het gaat hier om de reeks van een lage sol voor een man tot een hoge mi voor een vrouw of knaap (helaas mocht een vrouw in de Middeleeuwen haar stem niet verheffen in de kerk, tenzij dan in vrouwenkloosters). Die lage sol zit aan het puntje van de duim, waarna we opklimmen langs de verschillende ‘scharnieren’ en toppen van de vingers, tot uiteindelijk de hoge mi aan de achterkant van de middelvinger bereikt wordt. Maar dat is niet alles: zoals gezegd maakt Guido gebruik van hexachorden (reeksen van zes noten), die wel telkens dezelfde notennamen gebruiken (ut tot la, met de halve toon telkens tussen de mi en de fa), maar die elkaar ook zevenvoudig overlappen. Het lijkt een ingewikkeld systeem, dat na enige bestudering echter van zo’n helderheid en bijna geniale eenvoud blijkt te zijn, dat prima te begrijpen valt waarom Guido als muziekpedagoog zo’n reputatie verwierf. Dat de hexachorden overlappen, maakt het gebruik van het wijzigingsteken ‘mol’ (dat alleen bekend was bij de si, of om preciezer te zijn als een halve toon boven de la) overbodig. De noot boven de la werd volgens Guido’s hand en diens overlappende hexachorden ofwel een mi (als je wou doorgaan naar wat wij nu een si noemen) of een fa (als je wou zingen wat wij nu een si mol zouden noemen). Op die manier had Guido meteen ook een onderscheid gemaakt tussen ‘naturale’, ‘durum’ en ‘molle’ hexachorden, wat overigens al meteen de voorzet geeft aan de latere muziektheorie over noten in drie gedaantes: normaal, verhoogd, of verlaagd.

Guido van Arezzo? Er is moeilijk een andere theoreticus of pedagoog te noemen die zo veel invloed heeft uitgeoefend en blijft uitoefenen op de wereld van de muziek, al duizend jaar lang.

Hendrik Vanden Abeele voor Amarant

Italiano: Arezzo - Piazza Guido Monaco

Arezzo - Piazza Guido Monaco - Image via Wikipedia

[°°] Tenebrae movie ‘Zelus domus’ – Fribourg, Bibliothèque des Cordeliers, 2, f98v

Chant group Psallentes performs Zelus domus, an antiphon for the Tenebrae matins. With the voices of Peter Maus, Philippe Souvagie, Govaart Haché, Adriaan De Koster, Paul Schils, Sander Le Roy, Pieter Coene and Hendrik Vanden Abeele (artistic direction).

The manuscript used is a late thirteenth- or early fourteenth-century Franciscan Antiphoner. Fribourg, Bibliothèque des Cordeliers, 2. The antiphon is on folio 98v. The whole of the manuscript is online: http://www.e-codices.unifr.ch. Check it out!

Forthcoming album ‘Tenebrae’ Le Bricoleur LBCD/04 (March 2012)
www.le-bricoleur.com

17•03•2012 Diest [B] Tenebrae

Zaterdag/saturday 17 maart/march 2012 Diest, Begijnhofkerk, 20u

Buy tickets

Fribourg, Couvent des Cordeliers, M2, f103r - Psallentes' Tenebrae production

Fribourg, Couvent des Cordeliers, M2, f103r, the responsory Omnes amici - manuscript used for the Psallentes Tenebrae production - image via http://www.e-codices.unifr.ch

Aan het responsorium ‘Tenebrae factae sunt’ (‘De duisternis viel in’) ontleent deze productie haar naam. De reeks van drie ‘donkere metten’ die in de christelijke liturgie sinds eeuwen plaatsgrijpen tijdens de Goede Week, bezingt heel specifiek de droefenis om Jezus’ laatste dagen. De negen lamentaties vormen dan ook de kern van Tenebrae.

Meer nog dan van een evocatie van een eeuwenoude christelijke traditie wil Psallentes met dit concert uitzoomen naar het steeds doordraaiende rad van de seizoenen – in dit geval dan de breuklijn tussen het donker van de winter en de wedergeboorte van het lentelicht. Aan dat licht zelf komen we in ‘Tenebrae’ niet toe : aan het eind van het concert is de hele ruimte in de duisternis gehuld. Gaandeweg worden daartoe één voor één een reeks kaarsen gedoofd. Een heel sfeervol, zuiver, stil en eenvoudig gebeuren, vrijwel zonder beweging – maar niet onbewogen.

Vijf zangers blijven zeventig minuten lang puur vocaal bezig. Monotoon maar gedreven. Heel af en toe een vleugje meerstemmigheid, heel af en toe een streep virtuositeit. Psallentes’ meest sobere en meest intieme productie ooit.

[NL] Musica Mediaevalis 3/40 – Einsiedeln 121

Notker Balbelus - Psallentes

"Inventor" of the sequentia Notker Balbelus - thinking of new texts?

Nauwelijks honderd kilometer ten zuidwesten van de Abdij van Sankt Gallen ligt een andere Benedictijner Abdij, die van Einsiedeln. Jonger dan Sankt Gallen, maar toch nog steeds uit de negende eeuw, heeft ook deze abdij een belangrijke rol gespeeld in de vroege ontwikkeling van het gregoriaans, zoals dat blijkt uit een belangrijke verzameling manuscripten. Eén ervan is het graduale met het nummer 121. Het handschrift beslaat driehonderd folio’s, dus zeshonderd bladzijden. Toch is het niet monumentaal, veeleer een kleinood (16 cm hoog en 10 cm breed met een schrijfoppervlak van 12,5 cm op 7,5 cm), maar wel van onschatbare waarde. Het boek werd geschreven in de Abdij zelf, vermoedelijk tussen 960 en 970, in een Karolingische minuskel. In tegenstelling tot het antifonarium uit Sankt Gallen waarvan we weten dat het door Hartker geschreven werd, is van dit graduale niet bekend wie het schreef. Wel zeker is, dat het om één hand gaat.

Het is een graduale, wat betekent dat het de gezangen van de mis bevat. Net zoals in het geval van de antifonaria van Sankt Gallen blijkt ook uit dit boek dat de liturgie aan het eind van de tiende eeuw heel rijke vormen had aangenomen, een beeld dat nog versterkt wordt door de aanwezigheid van een zogenaamd sequentiale (in het manuscript draagt het de titel “Liber hymnorum”), dat vroege sequensen van Notker bevat. Zo dadelijk meer over die Notker, eerst kort het fenomeen sequensen toelichten. Een sequens is in oorsprong een toevoeging aan iets wat al bestaat, een zogenaamde trope. Waar aanvankelijk meestal bestaande melodieën gebruikt werden waarop dan per noot (of kleine groep noten) telkens een lettergreep van een nieuw gemaakte tekst geplaatst werd, ontstonden al gauw ook speciaal gecomponeerde sequensen. Tussen 1000 en 1500 zouden uiteindelijk vele duizenden sequensen gemaakt worden, een doorn in het oog van de zestiende-eeuwse hervormers, die er bij het Concilie van Trente komaf mee maakten. Maar dat is een ander verhaal.

Terug naar Notker. Deze monnik uit Sankt Gallen, die zo prominent in dit manuscript uit Einsiedeln aanwezig is, had als bijnaam Balbulus (de stotteraar). Hij werd geboren in de buurt van Sankt Gallen (ca. 840) en zou er ook sterven (912). Zoals het een echte Karolinger betaamt was hij onder meer de auteur van een Gesta Karoli – zoals de titel het zegt een verslag over de daden van Karel de Grote. Wat ons hier vooral interesseert is zijn Liber hymnorum, een verzameling teksten op sequens-melodieën. Notker schreef de teksten, het is niet zeker in hoeverre hij ook componist was – componeren schijnt hij slechts sporadisch te hebben gedaan.

Waar Notker misschien nog het meest om bekend is, is zijn brief aan een zekere Lambertus, Epistola ad Lantbertum, waarin hij aan deze verder geheel onbekende monnik uitlegt wat de verschillende letters betekenen die in de manuscripten van Sankt Gallen en Einsiedeln bij de neumen geschreven staan. Dankzij deze correspondentie zijn een aantal essentiële karakteristieken van de toegevoegde letters ons goed bekend. Zonder die brief zou dat best moeilijk geweest zijn, al zijn het nu ook geen hiëroglyfen. Het gaat om niet veel meer dan afkortingen, als teken soms met stenografisch karakter (dit laatste wanneer bijvoorbeeld een s en een t samengetrokken worden tot een in elkaar verstrengelde st, als afkorting voor statim of strictim, waarmee aangegeven wordt dat de zanger niet moet blijven hangen op de bewuste noten, maar onmiddellijk met het volgende aansluiten). Nog enkele voorbeelden van dit bescheiden maar boeiend lettersysteem, zo rechtstreeks op de concrete uitvoering van het gregoriaans betrokken. Een a vroeg om altius, om te benadrukken dat een bepaalde noot hoger gezongen moest worden dan men zou vermoeden. Omgekeerd vroeg een i om inferius, dus wanneer een bepaalde noot net lager moest worden gezongen. Niet alle hogere en lagere noten kregen zo’n verduidelijkende letter mee – het zou nogal wat geworden zijn. Zoals zopas nog gesuggereerd, ging het er in eerste instantie om, aan te geven wanneer iets afweek van wat men uit het geheugen of vanuit een intuïtie normaal zou gedaan hebben. Het is daarmee vergelijkbaar met de manier waarop in 19de-eeuwse partituren voor piano pedaalinstructies gegeven worden. De pedaaltekens (meestal een sierlijke P voor het indrukken en een sterretje voor het loslaten)  worden doorgaans ook alleen maar aangetroffen op de plekken waar je gevraagd wordt de pedaal anders te gebruiken dan ‘normaal’.

De twee voorbeelden in de vorige alinea (a en i) zijn letters die om een aanpassing van de melodie vragen. Een andere categorie van toegevoegde letters zijn die letters die om een aanpassing van het ritme of het tempo vragen. Omdat de melodieën in handschriften van enkele eeuwen jonger overgeleverd zijn (weliswaar mogelijk met aanpassingen) maar de ritmische behandeling van die melodieën veel minder of helemaal niet naar voren komt uit die handschriften, is de plaatsing van deze letters van groot belang voor ons inzicht in (en vermoeden over) de ‘juiste’ uitvoeringspraktijk van het vroege gregoriaans. Al eeuwenlang en tot op de dag van vandaag wordt over het ritme van het gregoriaans geredetwist.

Nog even terug naar de monnik Notker, die in dit Einsiedeln-handschrift zo opvallend vertegenwoordigd is. Zelf verhaalt deze monnik dat hij als knaap moeite had met het memoriseren van de lange melodieën (‘melodiae longissimae’), en hoe hij in een boek van een monnik uit Jumièges gezien had hoe je aan noten van een lange melodie lettergrepen kon toevoegen, om zo die melodie gemakkelijker te onthouden. Het levert een van de eerste grote verzamelingen sequensen op (met name 32 lange en 8 kortere), van dewelke de teksten van Notker in zijn eigen tijd al erg geroemd werden om hun rijkdom, het uitstekend Latijn, de complexiteit, en de theologische accuratesse. Dit oeuvre droeg er mee toe bij dat Notker als een van de belangrijkste intellectuelen van zijn tijd werd gezien, wiens naam en faam tot aan het Keizerlijk hof doorklonk.

De manuscripten van Sankt Gallen en Einsiedeln vertegenwoordigen slechts een deeltje van de relatief grote hoeveelheid oudste manuscripten waarin gregoriaans met neumen uitgeschreven staat. Temidden alle andere manuscripten, uit verschillende hoeken van Europa, blijven de bronnen uit deze Zwitserse regio bijzonder populair bij onderzoekers en uitvoerders. Naast de genoemde rijkdom aan tekens en de toegevoegde letters, is ook de aanwezigheid van zogenaamde episemata een opvallend kenmerk van deze familie van manuscripten. De episamata geven ritmische nuances weer (of, volgens sommigen, verlengingen of verdubbelingen van de noot), die het beeld van een fijnzinnig gregoriaans versterken.

Hendrik Vanden Abeele voor Amarant

[PRESS] Psallentes’ URSULA11 Hildegard von Bingen @ Kwadratuur

[NL] Kwadratuur publiceerde zopas een bespreking van de Psallentes cd URSULA11. Een fragmentje:

Parallel met deze melodische verfijning ontwikkelt de muziek zich ook op andere terreinen, waarbij systematisch grenzen overschreden worden.  De reciterende passages die met de melodieën afwisselen in de antifonen worden in de daaropvolgende responsoria echte nieuwe lijnen en geleidelijk aan zoeken de stemmen meer de hoogte op. Kleine ritmische accenten zorgen verder dat monotonie geen kans krijgt: zo vloeiend als de ene antifoon gezongen wordt, zo nadrukkelijk, aandringend en puntig is de dictie in de andere.

Lees de volledige bespreking op kwadratuur.be

De cd is te koop in je cd-winkel, of via Le Bricoleur

Hildegard von Bingen and her nuns - Psallentes' URSULA11 Hendrik Vanden Abeele

Hildegard von Bingen - Image via Wikipedia

[NL] Musica Mediaevalis 2/40 – Sankt Gallen 390-391

Winter antiphonary from Sankt Gallen, Stiftsbibliothek psallentes.com

Winter antiphonary from Sankt Gallen, Stiftsbibliothek, 390 - Image via www.e-codices.unifr.ch - On this page: Responsory Aspiciens a longe, p15 (no folio numbers)

Aan het eind van het tijdperk van de Romeinen kwamen de christelijke kerken voorzichtig uit hun schuilkelders. Eeuwenlang had het nog jonge christendom zich gedwongen gedeisd gehouden. Desondanks had zich inmiddels al een rijke liturgische traditie ontwikkeld. Een basiskenmerk van deze liturgie was het gezongen woord. Als je voor een groep mensen je stem wil verheffen en tegelijk de nodige eerbied en plechtstatigheid wil behouden die bij het reciteren van een ‘gewijde tekst’ verwacht en verlangd wordt, dan kun je maar beter gaan zingen. Zingen is een geciviliseerd roepen. Dus al in die vroege kerken werd gezongen, mogelijk sterk refererend aan het Joodse zingen in de synagoge.

Het begon met het eenvoudig reciteren van belangrijke teksten. Dat kon door een solist, in het geval van lezingen, maar het kon ook met grote groepen, bijvoorbeeld in het geval van de dagelijkse psalmlezingen. Ter omkadering van dit psalmodiëren werden fragmentjes uit de psalmen op eenvoudige (vaak intern gerecycleerde) melodieën gezet, zodat ze door de hele gemeenschap makkelijk meegezongen konden worden. Uit die grote groep werden een aantal solisten-zangers gelicht, de cantores, die de iets lastiger, meer melismatische gezangen vertolkten. En uit dat selecte groepje kwam nu en dan ook een echte solist naar voor, die op bepaalde teksten zijn gang kon gaan.

Hier horen we twee fundamenteel verschillende soorten van zingen. Wanneer twee groepen (vaak letterlijk) tegenover elkaar staan en om beurten zingen, dan noemen we dat antifonaal. Het reciteren van psalmen is hier het beste voorbeeld van. Wanneer echter een solist (of een selecte groep) iets zingt dat nadien door een grotere groep beantwoord wordt, dan noemen we dat responsoriaal. De meeste van de oude gezangen van de christelijke kerk horen in een van deze twee categorieën thuis.

Wanneer dus na de Romeinse tijd de christenen meer en meer in de openbaarheid treden, ontwikkelt zich de christelijke liturgie sneller en gedetailleerder dan ooit. In de negende eeuw al worden pogingen ondernomen om de lokale ‘dialecten’ van het gregoriaans (want daarover hebben we het natuurlijk) uit te vlakken en op mekaar af te stemmen. Het is een van de eerste getuigenissen van het verlangen naar eenmaking van Europa: in volle Karolingische tijd worden gespecialiseerde zangers naar alle hoeken van het continent gestuurd. Zij brengen hun expertise mee naar kerken, kloosters en abdijen, en alhoewel plaatselijke dialecten zich verder blijven ontwikkelen, is er vanaf de negende eeuw toch een opvallende eenheid van repertoire en de uitvoering ervan aan te duiden. (Uiteindelijk zal de liturgie zoals ze zich in Rome ontwikkelde, dominant worden.)

Kerken, kloosters en abdijen. Aan het eind van het eerste millennium van onze tijdrekening zijn er op verschillende plaatsen in de christelijke wereld al indrukwekkende complexen opgebouwd. In een van deze machtige abdijen, de Zwitserse abdij van Sankt-Gallen ten zuiden van wat nu de Bodensee heet, wordt in de jaren 993-997 door de monnik Hartker een antifonarium geschreven, dat wij nu als een van de oudste van ‘noten’ voorziene antifonaria kennen. Wat is een ‘antifonarium’ en waarom ‘noten’ tussen aanhalingstekens? ‘Antifonarium’: het boek dat gezangen voor het officie bevat, dus voor de gebedsdiensten en niet voor de mis. Omdat de korte(re) stukken het label ‘antifoon’ krijgen en omdat die antifonen het grootste deel van het repertoire voor de officies uitmaken, wordt het boek dat deze gezangen bevat ‘antifonarium’ genoemd.

‘Noten’. Neumen, eigenlijk, tekens die vooral een mnemotechnische functie lijken te hebben: ze moeten, geplaatst boven de tekst, aangeven hoe de melodie verloopt, maar ze geven de exacte toonhoogte niet aan, die vullen we aan vanuit het geheugen. De neumen staan los boven de tekst, er is nog geen sprake van een notenbalk. Ze (de neumen) doen ons denken aan tekens die vandaag nog in bepaalde talen overleven. Bijvoorbeeld in het Frans, waar de é of de è een opgaande of een neergaande toon lijkt aan te geven – toch vanuit de naamgeving. Dat eenvoudige procédé (daar heb je die é) laat de zangers toe een veel groter repertoire levendig te houden. Niet alles van dat omvangrijke oeuvre kon immers in het geheugen gehouden worden.

Dus aan het eind van de tiende eeuw is Hartker, monnik van Sankt-Gallen, druk in de weer met het uitschrijven van het boek dat wij nu als een grote topper van onze Middeleeuwse muziekgeschiedenis aanduiden. De monnik zuigt niets uit zijn duim: hij gebruikt tekens, weliswaar in de Zwitserse varianten, die al een honderdtal jaar in een of andere vorm bekend zijn over belangrijke delen van Europa. Er zijn verschillende tekens om één noot aan te geven (zoals punctum, virga), er zijn ook neumen die meer verzamelingen van noten zijn, samen op één lettergreep (zoals podatus, clivis, torculus, porrectus), en er zijn allerlei complexe combinaties van de basisneumen. We zullen nooit kunnen beoordelen of en in hoeverre deze Hartker misschien ook een componist was. Feit is dat tegen de tijd dat Hartker deze melodieën noteert er al een min of meer vastgelegd repertoire aan gregoriaanse gezangen was – dat weten we omdat we over nogal wat oudere bronnen beschikken waarin deze liturgie al grotendeels beschreven is, alhoewel nog zonder neumennotatie.

Niet alleen is dit Hartker antifonarium een van de oudste boeken met genoteerd gregoriaans, het is ook zonder meer een topper omwille van de buitengewoon nette schrijfwijze, de uitstekende bewaring, en de volledigheid. Het Hartker antifonarium beslaat twee delen, zoals dat wel meer voorkomt. Een zomerdeel, dat loopt van Pasen tot vlak voor de Advent, en een winterdeel dat loopt van de Advent tot en met de Goede Week, eindigend op Paaszaterdag. Echt groot is het boek niet (22 cm op 16,5 cm), het heeft nog niet het XL-formaat van de handschriften van latere eeuwen, toen men met grotere groepen naar hetzelfde manuscript stond te kijken om er uit te zingen. Het boek van Hartker lijkt daarom bijna eerder een geheugensteun geweest te zijn voor de cantor, die de gezangen aan zijn monniken moest aanleren. We weten niet zeker in hoeverre een manuscript als dit ook daadwerkelijk in de liturgie gebruikt werd, en of het daarbij dan in de hand gehouden werd, op een pupiter geplaatst, en wie er dan uit zong. Hartker’s handschrift is in de zogenaamde Karolingische minuskel, en doorheen het boek is vooral rode en zwarte inkt gebruikt. Alles samen enkele honderden bladzijden, waarmee we, bij grondige bestudering, een persoonlijke connectie lijken te kunnen maken met de Zwitserse monnik Hartker, die precies duizend jaar geleden stierf.

Hendrik Vanden Abeele voor Amarant

[NL] Musica Mediaevalis 1/40

[NL]

Hildegard von Bingen recieving divine inspiration - Psallentes' URSULA

Zou het mogelijk zijn de middeleeuwse muziek te beschrijven in pakweg veertig maal duizend woorden? Even afgezien van de vormdwang die ontstaat wanneer we onszelf dergelijke format opleggen? En afgezien van de vraag of het wel mogelijk is muziek met woorden te omschrijven, te beschrijven? En verder ook afgezien van het feit dat zelfs de meest diepgaande gedachten die we ontwikkelen en in woorden uitdrukken niet veel meer kunnen zijn dan een irrelevante aanvulling op wat essentieel is: het bekijken, beleven en tot klinken brengen van een partituur, het beluisteren van interpretaties van die partituur, of het omgaan met de onvolledige of zelfs onbestaande partituur?

Om je een idee te geven: duizend woorden, dat zijn twee bladzijden vol. Zouden die veertigduizend woorden, die veertig maal twee bladzijden, een representatief beeld kunnen voorleggen van een duizendjarige muziekgeschiedenis? Laat ons er voor het gemak van uitgaan dat de middeleeuwen, althans op muzikaal vlak, lopen van het jaar 500 tot het jaar 1500. Dat is grofweg van het eind van de klassieke oudheid tot aan de periode waarin de Renaissance zich voluit in de geest van de tijd en over heel Europa verspreid ging manifesteren. Die duizend jaar willen we nu beschrijven aan de hand van veertig toppers. Gemiddeld een topper om de vijfentwintig jaar. Als we het zo voorstellen lijkt dat nog niet eens zo’n gekke gedachte. Maar als we dat zouden proberen te doen met bijvoorbeeld om de vijfentwintig jaar de toppers in de Europese literatuur van de twintigste eeuw, welke vier schrijvers zouden we dan kiezen? En zouden we dan niet erg veel uitstekende schrijvers missen, en zou dat dan representatief zijn voor de literatuurgeschiedenis van de twintigste eeuw?

Met het samenvatten van geschiedenissen of het focussen op toppers doen we altijd onrecht aan wat niet vermeld geraakt. Wat dat betreft hebben we in zekere zin geluk: niet zoals in de moderne tijden met de honderden niet te missen componisten, ontbreken ons in de duizendjarige muziekgeschiedenis van de middeleeuwen heel veel meesterwerken (namelijk gewoon niet overgeleverd, verloren gegaan in de mist van de eeuwen), en heel veel namen (een heel groot deel van de wel overgeleverde muziek blijft van een anonieme hand). Het spreekt boekdelen dat wie aan het eind van de negentiende eeuw besloot zich op middeleeuwse muziek toe te leggen, niet veel meer dan een vijftigtal werken van die categorie zou hebben kunnen vinden. Sinds 1900 is de beschikbaarheid van middeleeuwse bronnen van muziek wel exponentieel toegenomen, maar dan nog blijft het aantal bronnen, het aantal werken tout court, relatief laag ten opzichte van de reusachtige hoeveelheden muziek uit recentere tijden.

Als de keuze beperkt is, kunnen we daarbinnen dan nog wel veertig toppers vinden? En hoe definiëren we toppers, wat zijn er de criteria voor? Iets met creativiteit en innovatie, wellicht? Stel, we willen in veertig episodes een helder beeld krijgen van de rijkdom en de diepgang van het repertoire dat we voor het gemak klasseren onder ‘middeleeuwse muziek’. Wat is er in dat zo verscheiden repertoire dan een topper en wat niet?

Vooreerst is de middeleeuwse muziek, de muziek uit de middeleeuwen, de muziek uit grofweg de periode tussen 500 en 1500, op zich al een topper, gewoon omdat er de kiemen in terug te vinden zijn van zowat alle muziek die vandaag in onze Westerse wereld te horen is. De middeleeuwse muziekgeschiedenis heeft aan de meerstemmigheid het eenvoudige maar adembenemende fenomeen van de tegenbeweging bijgedragen. De overgang die ergens rond de milleniumwisseling gemaakt werd van eenstemmigheid of hooguit parallelle meerstemmigheid naar een echte meerstemmigheid waarbij stemmen mekaar in tegenbeweging gaan benaderen: alleen al die innovatie maakt van de ‘middeleeuwse muziek’ als geheel een topper van formaat.

De 39 andere toppers (ja, er zijn er in overvloed) in onze muziekgeschiedenis van de middeleeuwen zullen elk met hun eigen troeven de status van topper moeten verdienen: een handschrift als dat uit de Zwitserse abdij van Sankt-Gallen is zo oud, en toch al zo gedetailleerd en fijnmazig; de uitvinding van de notenbalk door Guido van Arezzo is essentieel geweest voor de ontwikkeling van de meerstemmigheid; de gregoriaanse modi vormden duizend jaar lang de rode draad doorheen vrijwel alle muziek;  en voorts zijn er de mystieke ontboezemingen van iemand als Hildegard von Bingen – een van de eerste met naam bekende componisten uit onze Westerse muziekgeschiedenis; verzamelingen vroege polyfonie uit de Saint-Martial te Limoges, of uit Winchester; de Codex Calixtinus en het Llibre Vermell de Montserrat als getuigen van een rijke bedevaartscultuur; de aangrijpende creativiteit van de Parijse grootmeesters Leoninus en Perotinus; de schattige middeleeuwse schunnigheid uit de Carmina Burana of de Messe des Fous; de stanza’s van de troubadours; de levensliederen van de trouvères; de minnesmart van de Minnesänger; de modale en mensurale notatie van muziek; de vroege missen (zogenaamd van Doornik en van Toulouse); het motet en het madrigaal; de isoritmie; de Ars Nova; grote Franse namen als Philippe de Vitry, Guillaume de Machault, Guillaume Dufay. Heel rijk en heel verscheiden, te veel toppers. Dat alles in telkens duizend woorden willen beschrijven is een oefening in schrappen. Een muziekgeschiedenis in vogelvlucht, 39 keer afdalend naar Street View.

Maar er is nog een ander belangrijk probleem. Eerder stelden we al vast dat veel ‘partituren’ van deze middeleeuwse muziek minstens onvolledig zijn. Sinds de negentiende eeuw zijn we het gewend dat een componist zeer precieze instructies geeft. Zo precies als die instructies zijn (wat overigens niet hoeft te betekenen dat een uitvoerder van zo’n precieze partituren geen ‘interpretatie’ meer geeft), zo vaag en onduidelijk zijn de instructies in de manuscripten met middeleeuwse muziek. Dat is geen bedoelde onduidelijkheid: dergelijke partituren deden veeleer dienst als geheugensteun of als raamwerk waarbinnen de muziek uitgevoerd werd volgens heersende conventies. Maar aan de uitvoerder van vandaag lijkt het een grote vrijheid te schenken. Er wordt zo veel aan de verbeelding van de uitvoerder overgelaten, dat het ‘anything goes’ steeds op de loer ligt. Het levert een heel contrastrijk luisterlandschap op, dat evenveel zegt over de middeleeuwse muziek als over de tijd waarin wij leven en de manier waarop wij de muziek lezen van meer dan vijfhonderd jaar geleden.

Hendrik Vanden Abeele voor Amarant

[NL] Musica Mediaevalis: Een middeleeuwse muziekgeschiedenis in veertig toppers

[NL] Hendrik Vanden Abeele zal bij Amarant tussen eind januari en begin mei de middeleeuwse muziekgeschiedenis introduceren aan de hand van veertig toppers. De cursus gaat door op woensdagvoormiddag in de Singel te Antwerpen. Men vertelle het voort, warm aanbevolen!

Musica Mediaevalis Hendrik Vanden Abeele Psallentes

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 597 other followers