[NL] Musica Mediaevalis 5/40 – Gregoriaans: modi

]Maastricht - modes - Psallentes
Page 327 (no foliage) from a ca. 1400 manuscript, with Gloria Patri in different tones (starting here with the second mode). Maastricht, Regionaal Historisch Centrum Limburg, NL-RHCL nr1979

Heel traag, over de loop van honderden jaren, heeft de Westerse toonspraak zich ontwikkeld tot het punt waar we nu zijn: alles kan, en alles is mogelijk. In de Middeleeuwen (in de ruimste zin, zoals we het eerder beschreven, namelijk van het begin van de christelijke openbare tijd rond 500 tot in de vijftiende eeuw) waren de mogelijkheden nog erg beperkt. Een zestal notennamen (zie ondermeer de tekst over Guido van Arezzo, Musica Mediaevalis 4), één wijzigingsteken, een achttal mogelijke toonaarden. Binnen dat strakke keurslijf heeft de Middeleeuwse muziek zich nochtans goed kunnen uitleven. Dat heeft te maken met bepaalde sterktes van het modale systeem, dat we daarom hier wat meer in detail willen bekijken.

We zouden het verhaal van de modi (enkelvoud modus) kunnen starten in de Griekse tijden, toen benamingen als dorisch, frygisch, lydisch en mixolydisch ontstonden. Maar dit is hier niet zo relevant, alleen al omdat het gebruik van die namen tot verwarring zou leiden, zoals dat gebeurd is bij de vroeg-Middeleeuwse theoretici. In sommige theorieboeken van de Middeleeuwse toonaardenleer worden nog wel die Griekse benamingen gebruikt, maar omdat bijvoorbeeld ‘dorisch’ in de Middeleeuwen uiteindelijk toch iets helemaal anders wordt dan ‘dorisch’ bij de Grieken, laten we die uitstap naar de Oudheid hier achterwege.

Beter is het meteen bij Boethius te beginnen, en te kijken wat hij over de toonaarden wist te zeggen, Continue reading “[NL] Musica Mediaevalis 5/40 – Gregoriaans: modi”

Blog at WordPress.com.

Up ↑