Visit
- Adbusters
- All is not lost
- Amarant
- amarilli
- Amuz
- Antiphonaria
- Aquil'AlterA
- Avaaz
- Brugge Concertgebouw
- Campaign Strategy
- Capilla Flamenca
- Centrum gregoriaans
- Cobra
- Cuenca Semana Santa
- dbnl
- Digital Scriptorium
- Edge
- Encantar
- Graduel Bellelay
- harmonia mundi distribution
- KB Den Haag
- Koffie Onan
- Leiden University – Arts
- Max Zorn
- Medieval Music Org
- Musica Sacra
- Open Culture
- Open Society
- Oude Muziek Utrecht
- Oxfam
- Psallentes @ ArkivMusic
- Psallentes @ Le Bricoleur
- Revue Blanche
- Rosario
- Saramago
- Solidar
- The obsessions collective
- Tzadik
- Zefiro Torna
- Zooniverse

The Antiphonary Walk-through Adventure continues
This week saw only one new episode (#013) of the Antiphonary Walk-through, mainly due to Hendrik’s voice dropping to, well, zero dB. Meanwhile, you might want to check out www.antiphonaria.com, where all the walk-through-movies that have been made and will be made are assembled in a time-line. Or you can subscribe to the playlist on YouTube. Thanks!
31•03•2012 Bloemendaal [NL] Tenebrae

Fribourg, Couvent des Cordeliers, M2, f99r, the responsory Caligaverunt - manuscript used for the Psallentes Tenebrae production - image via http://www.e-codices.unifr.ch
Zaterdag/saturday 31 maart/march Bloemendaal, dorpskerk, 16u
In het Franciscanenklooster van Fribourg/Freiburg in Zwitserland wordt een antiphonale (een boek met gezangen voor het officie) bewaard dat mogelijk, of zelfs zeer waarschijnlijk, daar ter plekke gemaakt werd aan het eind van de dertiende eeuw. Het klooster werd gesticht in 1254, op een ogenblik dat de nog zeer jonge orde (gesticht in 1209 door Franciscus zelf) in volle expansie was. Er wordt geschat dat de orde van de Franciscanen tegen het eind van de dertiende eeuw 35.000 leden telde. Het manuscript is zeker na 1260 gemaakt, omdat er bepaalde teksten gebruikt worden die in dat jaar op het Generaal Kapittel van de orde werden vastgelegd. Het is zeker Franciscaans, gezien de aanwezigheid van officies (verzamelingen van gezangen voor bebaalde gebedsdiensten) voor onder meer Franciscus van Assisië en Antonius van Padua. Het manuscript is relatief sober – het is dan ook vroeg-Franciscaans – en de noten op vier lijntjes zijn snelle kwadraatneumen: licht tot sterk naar rechts hellende vierkante noten, met elkaar verbonden naar gelang hun positie binnen de lettergreep of het woord. Dit manuscript is vooral opvallend vanwege het voorkomen van een voor de lezing van de lamentaties uitgeschreven melodie. Die melodie wijkt overigens niet erg af van wat vandaag in de doorsnee boeken van gregoriaans te vinden is. In het gregoriaans is zevenhonderd jaar niets.
Meer nog dan een evocatie van een eeuwenoude christelijke traditie, wil Psallentes met dit concert uitzoomen naar het steeds doordraaiende rad van de seizoenen – in dit geval dan de breuklijn tussen het donker van de winter en de wedergeboorte van het lentelicht.
Aan dat licht zelf komen we in ‘Tenebrae’ niet toe: gaandeweg worden één voor één een reeks kaarsen gedoofd. Een heel sfeervol, zuiver, stil en eenvoudig gebeuren, vrijwel zonder beweging – maar niet onbewogen.
[°°] B-Gu Ms 15 Antiphonary – A two minutes per page walkthrough
We are embarking on a new project, which will take us through one of Flanders’ most impressive sources of late medieval plainchant. Watch the introductory video here.
[°°] Tenebrae movie ‘Zelus domus’ – Fribourg, Bibliothèque des Cordeliers, 2, f98v
Chant group Psallentes performs Zelus domus, an antiphon for the Tenebrae matins. With the voices of Peter Maus, Philippe Souvagie, Govaart Haché, Adriaan De Koster, Paul Schils, Sander Le Roy, Pieter Coene and Hendrik Vanden Abeele (artistic direction).
The manuscript used is a late thirteenth- or early fourteenth-century Franciscan Antiphoner. Fribourg, Bibliothèque des Cordeliers, 2. The antiphon is on folio 98v. The whole of the manuscript is online: http://www.e-codices.unifr.ch. Check it out!
Forthcoming album ‘Tenebrae’ Le Bricoleur LBCD/04 (March 2012)
www.le-bricoleur.com
[NL] Musica Mediaevalis 2/40 – Sankt Gallen 390-391

Winter antiphonary from Sankt Gallen, Stiftsbibliothek, 390 - Image via www.e-codices.unifr.ch - On this page: Responsory Aspiciens a longe, p15 (no folio numbers)
Aan het eind van het tijdperk van de Romeinen kwamen de christelijke kerken voorzichtig uit hun schuilkelders. Eeuwenlang had het nog jonge christendom zich gedwongen gedeisd gehouden. Desondanks had zich inmiddels al een rijke liturgische traditie ontwikkeld. Een basiskenmerk van deze liturgie was het gezongen woord. Als je voor een groep mensen je stem wil verheffen en tegelijk de nodige eerbied en plechtstatigheid wil behouden die bij het reciteren van een ‘gewijde tekst’ verwacht en verlangd wordt, dan kun je maar beter gaan zingen. Zingen is een geciviliseerd roepen. Dus al in die vroege kerken werd gezongen, mogelijk sterk refererend aan het Joodse zingen in de synagoge.
Het begon met het eenvoudig reciteren van belangrijke teksten. Dat kon door een solist, in het geval van lezingen, maar het kon ook met grote groepen, bijvoorbeeld in het geval van de dagelijkse psalmlezingen. Ter omkadering van dit psalmodiëren werden fragmentjes uit de psalmen op eenvoudige (vaak intern gerecycleerde) melodieën gezet, zodat ze door de hele gemeenschap makkelijk meegezongen konden worden. Uit die grote groep werden een aantal solisten-zangers gelicht, de cantores, die de iets lastiger, meer melismatische gezangen vertolkten. En uit dat selecte groepje kwam nu en dan ook een echte solist naar voor, die op bepaalde teksten zijn gang kon gaan.
Hier horen we twee fundamenteel verschillende soorten van zingen. Wanneer twee groepen (vaak letterlijk) tegenover elkaar staan en om beurten zingen, dan noemen we dat antifonaal. Het reciteren van psalmen is hier het beste voorbeeld van. Wanneer echter een solist (of een selecte groep) iets zingt dat nadien door een grotere groep beantwoord wordt, dan noemen we dat responsoriaal. De meeste van de oude gezangen van de christelijke kerk horen in een van deze twee categorieën thuis.
Wanneer dus na de Romeinse tijd de christenen meer en meer in de openbaarheid treden, ontwikkelt zich de christelijke liturgie sneller en gedetailleerder dan ooit. In de negende eeuw al worden pogingen ondernomen om de lokale ‘dialecten’ van het gregoriaans (want daarover hebben we het natuurlijk) uit te vlakken en op mekaar af te stemmen. Het is een van de eerste getuigenissen van het verlangen naar eenmaking van Europa: in volle Karolingische tijd worden gespecialiseerde zangers naar alle hoeken van het continent gestuurd. Zij brengen hun expertise mee naar kerken, kloosters en abdijen, en alhoewel plaatselijke dialecten zich verder blijven ontwikkelen, is er vanaf de negende eeuw toch een opvallende eenheid van repertoire en de uitvoering ervan aan te duiden. (Uiteindelijk zal de liturgie zoals ze zich in Rome ontwikkelde, dominant worden.)
Kerken, kloosters en abdijen. Aan het eind van het eerste millennium van onze tijdrekening zijn er op verschillende plaatsen in de christelijke wereld al indrukwekkende complexen opgebouwd. In een van deze machtige abdijen, de Zwitserse abdij van Sankt-Gallen ten zuiden van wat nu de Bodensee heet, wordt in de jaren 993-997 door de monnik Hartker een antifonarium geschreven, dat wij nu als een van de oudste van ‘noten’ voorziene antifonaria kennen. Wat is een ‘antifonarium’ en waarom ‘noten’ tussen aanhalingstekens? ‘Antifonarium’: het boek dat gezangen voor het officie bevat, dus voor de gebedsdiensten en niet voor de mis. Omdat de korte(re) stukken het label ‘antifoon’ krijgen en omdat die antifonen het grootste deel van het repertoire voor de officies uitmaken, wordt het boek dat deze gezangen bevat ‘antifonarium’ genoemd.
‘Noten’. Neumen, eigenlijk, tekens die vooral een mnemotechnische functie lijken te hebben: ze moeten, geplaatst boven de tekst, aangeven hoe de melodie verloopt, maar ze geven de exacte toonhoogte niet aan, die vullen we aan vanuit het geheugen. De neumen staan los boven de tekst, er is nog geen sprake van een notenbalk. Ze (de neumen) doen ons denken aan tekens die vandaag nog in bepaalde talen overleven. Bijvoorbeeld in het Frans, waar de é of de è een opgaande of een neergaande toon lijkt aan te geven – toch vanuit de naamgeving. Dat eenvoudige procédé (daar heb je die é) laat de zangers toe een veel groter repertoire levendig te houden. Niet alles van dat omvangrijke oeuvre kon immers in het geheugen gehouden worden.
Dus aan het eind van de tiende eeuw is Hartker, monnik van Sankt-Gallen, druk in de weer met het uitschrijven van het boek dat wij nu als een grote topper van onze Middeleeuwse muziekgeschiedenis aanduiden. De monnik zuigt niets uit zijn duim: hij gebruikt tekens, weliswaar in de Zwitserse varianten, die al een honderdtal jaar in een of andere vorm bekend zijn over belangrijke delen van Europa. Er zijn verschillende tekens om één noot aan te geven (zoals punctum, virga), er zijn ook neumen die meer verzamelingen van noten zijn, samen op één lettergreep (zoals podatus, clivis, torculus, porrectus), en er zijn allerlei complexe combinaties van de basisneumen. We zullen nooit kunnen beoordelen of en in hoeverre deze Hartker misschien ook een componist was. Feit is dat tegen de tijd dat Hartker deze melodieën noteert er al een min of meer vastgelegd repertoire aan gregoriaanse gezangen was – dat weten we omdat we over nogal wat oudere bronnen beschikken waarin deze liturgie al grotendeels beschreven is, alhoewel nog zonder neumennotatie.
Niet alleen is dit Hartker antifonarium een van de oudste boeken met genoteerd gregoriaans, het is ook zonder meer een topper omwille van de buitengewoon nette schrijfwijze, de uitstekende bewaring, en de volledigheid. Het Hartker antifonarium beslaat twee delen, zoals dat wel meer voorkomt. Een zomerdeel, dat loopt van Pasen tot vlak voor de Advent, en een winterdeel dat loopt van de Advent tot en met de Goede Week, eindigend op Paaszaterdag. Echt groot is het boek niet (22 cm op 16,5 cm), het heeft nog niet het XL-formaat van de handschriften van latere eeuwen, toen men met grotere groepen naar hetzelfde manuscript stond te kijken om er uit te zingen. Het boek van Hartker lijkt daarom bijna eerder een geheugensteun geweest te zijn voor de cantor, die de gezangen aan zijn monniken moest aanleren. We weten niet zeker in hoeverre een manuscript als dit ook daadwerkelijk in de liturgie gebruikt werd, en of het daarbij dan in de hand gehouden werd, op een pupiter geplaatst, en wie er dan uit zong. Hartker’s handschrift is in de zogenaamde Karolingische minuskel, en doorheen het boek is vooral rode en zwarte inkt gebruikt. Alles samen enkele honderden bladzijden, waarmee we, bij grondige bestudering, een persoonlijke connectie lijken te kunnen maken met de Zwitserse monnik Hartker, die precies duizend jaar geleden stierf.
Hendrik Vanden Abeele voor Amarant
Jacobus… Jacobe! [FR]
Il n’y en a que pour saint Jacques dans le Codex Calixtinus. Ce célèbre manuscrit du douzième siècle est conservé à Saint Jacques de Compostelle. Egalement connu sous le nom de ‘Liber Sancti Jacobi’, le manuscrit fut rédigé vers 1140 et contient en plus de descriptions de miracles, des indications pour le pèlerin, une description de la croisade espagnole de Charlemagne ainsi que pas mal de musique liturgique pour les fêtes à la gloire de saint Jacques le Majeur.
Au douzième siècle, les autorités locales firent tout le possible pour la promotion de la tombe de saint Jacques de Compostelle comme lieu de pèlerinage. Il convenait à cet effet également d’ ‘importer’ à partir de la France ce qu’il y avait de plus récent au niveau musical : organum et conductus sophistiqués à deux ou trois voix.
Les huit chanteuses de Psallentes nous proposent du chant grégorien et de la polyphonie provenant du Codex Calixtinus afin de rendre à l’apôtre Jacques l’hommage musical qui lui revient selon le manuscrit. Du simple ‘Psallat chorus celestium’, en passant par l’intime ‘Clemens servulorum’, au frénétique ‘Dum pater familias’ (qui fait immédiatement fonction de moyen mnémotechnique pour retenir les noms latins) : tous les moyens conviennent pour récompenser le pèlerin qui se rend à Compostelle avec un travail vocal féminin pur et simple. Il / elle en revient satisfait…
Distribution : 8 chanteuses
Durée : environ 68 minutes sans pause
Programme : Chants grégoriens et polyphoniques du Codex Calixtinus du douzième siècle
Source : Codex Calixtinus (Liber Sancti Jacobi), Saint Jacques de Compostelle, archive de la Cathédrale
Jacobus… Jacobe! [NL]
Het is al Jacobus wat de klok slaat in de Codex Calixtinus. Dit beroemde twaalfde-eeuwse manuscript wordt bewaard te Santiago de Compostela. Het boek – ook bekend onder de naam ‘Liber Sancti Jacobi’ – werd gemaakt rond 1140 en bevat naast mirakelbeschrijvingen, aanwijzingen voor de pelgrim en een beschrijving van de Spaanse veldtocht van Karel de Grote ook nogal wat liturgische muziek voor de feesten ter ere van Jacobus de Meerdere. Plaatselijke overheden deden er in de twaalfde eeuw alles aan om het graf van de Heilige Jacobus te Compostela als bedevaartsoord te promoten. Daartoe behoorde ook het ‘importeren’ vanuit Frankrijk van het nieuwste van het nieuwste op muzikaal vlak: de gesofisticeerde twee- en driestemmigheid van organum en conductus.
De acht zangeressen van Psallentes gaan met het gregoriaans en de meerstemmigheid uit de Codex Calixtinus aan de slag om de apostel Jacobus de rijke muzikale eer te bewijzen die hem volgens het manuscript toekomt. Van het eenvoudige ‘Psallat chorus celestium’, over het intieme ‘Clemens servulorum’, tot het uitbundige ‘Dum pater familias’ (dat meteen als ezelsbrugje dienst doet om de Latijnse naamvallen te onthouden): alle middelen zijn goed om met puur vocaal vrouwenwerk de pelgrim naar Compostela te belonen. Hij/zij keert tevreden terug…
\\ Et la porte de paradis luy est ouverte [ENG]
Funny, in a way, that the March 2000 concert at which the baptism of little boy Charles was recalled, also acted as a kind of baptism of the ensemble Psallentes itself. A maiden concert. What’s more – and how coincidental can you get – this happened in the Saint Bavo cathedral, which at the time of the historical event of March 1500 was simply called the church of Saint John … the Baptist. This concert definitely marked the beginning of a new phase in my career as a musician – and in a nicely symbolic way too, although I only got to realize that quite some time later.
As a teenager I was very much into medieval music. I too had my portion of romantic longing for the idealized Middle Ages. I devoured youth novels set in medieval times, and there definitely was an obsession for medieval manuscripts. I distinctly remember visiting the exhibition on Flemish miniatures at the Gruuthuuse-museum in Bruges not once, but many many times – it was in 1981, I was fifteen. And whenever I had some money I went to the record shop to buy an LP with medieval music. It did not really matter what it was, as long as it had something to do with the Middle Ages. Although I played the piano from my early childhood, and eventually turned out to become a professional pianist and piano teacher, my love for and interest in medieval music and manuscripts had/has never left me. In order to keep in touch with the medieval music scene, I started to sing – rather late. Being a pianist occupied with nineteenth-century music and the like, singing (mainly of plainsong) was the best thing I could do to keep my chances open of one day entering the magical world of the Early Music. With the founding of Psallentes and the connections we made with other ensembles, I was finally able to move further into that universe of the Cantigas de Santa Maria, the Llibre Vermell de Montserrat, the Codex Calixtinus. “Et la porte de paradis luy est ouverte.”
Hendrik Vanden Abeele
Tota pulchra es [NL]
De titel, Tota pulchra es, amica mea, verwijst naar de eerste antifoon van de Eerste Vespers voor het feest van Maria Tenhemelopneming, volgens het Antiphonarium ad usum Cameracensis eccelsiae (1235-1245) van de ‘bibliothèque municipale’ van Cambrai. Het eerste deel van het concert evoceert dit officie, waarbij verschillende fragmenten uitgewerkt zijn tot tijdeigen organum en discant, zoals het zich destijds, vaak geïmproviseerd, tot eenvoudige polyfonie liet ombouwen.
Centraal in het avondvullend werk staat een Magnificat voor zes mannenstemmen, orgel, cornet en electronica. Dit Magnificat, in een buitengewone muzikale zetting, grijpt polyfoon terug naar, en contrasteert met het oorspronkelijk gregoriaanse materiaal, de samenklanken van het mesotonische gestemde orgel en de cornetto (zink). Daarenboven spelen ook de door het “Centre Henri Pousseur” gesamplede klokkenklanken van de Kapellekerk Brussel een belangrijke rol.
Het laatste deel van het concert, als synthese èn als besluit, opent met de antifoon Nigra sum, sed formosa, afkomstig uit het Hooglied (1,5) – net zoals overigens Tota pulchra es, amica mea. Deze twee fragmenten uit het Hooglied vormen doorheen dit laatste deel een rode draad: tien recitanten spreken de tekst uit, eerst in het originele Hebreeuws, dan ook in het Grieks en Armeens. Om zich vervolgens via vele talen, zoals ze door allerlei gemeenschappen (in Brussel of andere meertalige samenlevingen) gesproken worden, te vermengen met de stemmen van Psallentes, de instrumenten en de spectrale klanken van de klokken, hiermee teruggrijpend naar het begin van het concert.
Bezetting: zes zangers (Psallentes), orgel (Arnaud Van de Cauter), cornetto (Eva Godard) en electronica (Centre Henri Pousseur – Liège)
Duur: ongeveer 75 minuten zonder pauze
Programma: Avondvullende compositie van Jean-Pierre Deleuze.
Tota pulchra es [FR]
Le titre, Tota pulchra es, amica mea, est tiré de la première antienne de l’office des Premières Vêpres de l’Assomption, selon l’Antiphonarium ad usum Cameracensis eccelsiae (1235-1245) de la bibliothèque municipale de Cambrai. La première partie du concert permet d’entendre cet office dont plusieurs fragments sont traités à la manière d’organa ou de déchants, afin d’évoquer les pratiques polyphoniques primitives, généralement improvisées.
Au centre de l’œuvre, un Magnificat, pour six voix d’hommes, orgue, cornet à bouquin et électronique se déploie, dans une mise en musique originale, recourant à des procédés d’écriture polyphonique contrastés et reliant à la fois le matériau grégorien, les sonorités de l’orgue mésotonique et des cornets, mais aussi, celles des cloches de l’Église de la Chapelle enregistrées et traitées par le « Centre Henry Pousseur ».
La dernière partie du concert, synthèse et conclusion à la fois, s’ouvre librement sur l’antienne Nigra sum, sed formosa, provenant du Cantique des Cantiques (Cant 1,5), tout comme Tota pulchra es, amica mea. L’enchaînement est mis en évidence par la présence des voix de dix récitantes faisant entendre, chacune dans leur langue, ces deux fragments du Cantique des Cantiques. Après l’hébreu, langue originale du texte, le grec et l’arménien, le texte est récité dans de nombreuses langues, qui sont aujourd’hui parlées les différentes communautés qui constituent nos cités contemporaines. Les sons de ces voix parlées s’intégrent alors progressivement au voix de l’Ensemble Psallentes, des instruments, mais aussi des sonorités spectrales issues des cloches, présentes quant à elles dès la première partie du concert.
Distribution: 6 voix d’hommes (Psallentes), orgue (Arnaud Van de Cauter), cornet à bouquin (Eva Godard) et électronique (Centre Henri Pousseur – Liège)
Durée: environ 75 minutes sans pause
Programme: composition de Jean-Pierre Deleuze, conçue comme un concert complet
[°°] O sacrum convivium [Beghinae — LBCD/01] [Live performance]
The antiphon O sacrum convivium, from a sixteenth century Turnhout processionale (Flanders, ca. 1550).
Chant group Psallentes♀, directed by Hendrik Vanden Abeele.
Singers are Sarah Abrams, Helen Cassano, Lieselot De Wilde, Rozelien Nys, Rein Van Bree, Kerlijne Van Nevel and Veerle Van Roosbroeck.
Live recording of de Begijntjesprocessie [the procession of the Beguines], 19th of October 2008 in the Predikherenkerk, Leuven, Belgium (www.30cc.be).
Thanks to Rein Van Bree for the minidisc-recording.
More information on the musical patrimony of Flemish Beguinages in the book edited by Pieter Mannaerts: Beghinae in cantu instructae, Brepols publishers, 2008.
Check out the CD Beghinae at Le Bricoleur
[°°] Virgineos flores [Beghinae — LBCD/01]
The responsory ‘Virgneos flores’, from a sixteenth century Bruges processionale (ca. 1550).
Chant group Psallentes♀, directed by Hendrik Vanden Abeele.
Singers are Sarah Abrams, Helen Cassano, Lieselot De Wilde, Rozelien Nys, Rein Van Bree, Kerlijne Van Nevel and Veerle Van Roosbroeck.
Live recording of ‘de Begijntjesprocessie’ [the procession of the Beguines], 19th of October 2008 in the Predikherenkerk, Leuven, Belgium (www.30cc.be).
Thanks to Rein Van Bree for the minidisc-recording.
More information on the musical patrimony of Flemish Beguinages in the book edited by Pieter Mannaerts: ‘Beghinae in cantu instructae’, Brepols publishers, 2008.
Check out the CD Beghinae at Le Bricoleur
[°°] Inviolata [Beghinae — LBCD/01]
The prosa Inviolata et casta es Maria, from a late medieval Bruges processionale.
Chant group Psallentes♀, directed by Hendrik Vanden Abeele.
Singers are Sarah Abrams, Helen Cassano, Lieselot De Wilde, Rozelien Nys, Rein Van Bree, Kerlijne Van Nevel and Veerle Van Roosbroeck.
Live recording of de Begijntjesprocessie [the procession of the Beguines], 19th of October 2008 in the Predikherenkerk, Leuven, Belgium (www.30cc.be).
Thanks to Rein Van Bree for the minidisc-recording.
More information on the musical patrimony of Flemish Beguinages in the book edited by Pieter Mannaerts: Beghinae in cantu instructae, Brepols publishers, 2008.
Check out the CD Beghinae at Le Bricoleur








